Schuilenburg in de Twenstsche Courant Tubantia e.a.

 

         Inleiding

 

Zoals in de Bronvermelding is aangegeven is er gebruik gemaakt van diverse krantenartikelen. In de tijd van het schrijven van mijn www.schuilenburgboek.nl waren er alleen papieren kranten en/of kopieën daarvan. In de moderne tijd is er veel digitaal beschikbaar via www.delpher.nl, ook hele oude kranten uit het begin van de vorige eeuw.

In dit hoofdstuk zijn de zoekresultaten naar “Schuilenburg” en “Hellendoorn” uit alle beschikbare krantenartikelen en oude advertenties op www.delpher.nl opgenomen.

De krantenartikelen die gaan over de planvorming van Schuilenburg die geleid heeft tot wat er nu is, zijn door mijzelf gescand, omdat die (op dit moment) niet digitaal beschikbaar blijken te zijn.

Voor zover niet specifiek benoemd zijn ze uit de Twentsche courant Tubantia.

De eerste twee artikelen gaan niet direct over Schuilenburg, maar over een spoorlijn die ooit langs Schuilenburg bedacht was en door Ponsteen in zijn boek wordt aangehaald. Met name het tweede artikel met de ingezonden brief geeft een leuk beeld hoe er destijds werd gedacht.

 

De oude advertenties (1811 – 1929) bevatten meestal publicaties van overheden, zoals de gemeente en waterschap, maar ook verkoopadvertenties. Deze laatsten geven veelal informatie over het eigendom dat bij Schuilenburg behoorde.

In deze (blauwe tekst) staan her en der verduidelijkende opmerkingen en aanvullingen om het leesbaarder en/of herkenbaarder te maken.

 

        Artikelen

 

 

         1867-11-28 > Plan Spoorlijn langs Schuilenburg (ALGEMEEN HANDELSBLAD)

 

ZWOLLE, 26 Nov.

Men deelt ons mede, dat eenige handelaren en aanzienlijke ingezetenen van Zwolle, Kampen en Almelo zich gevormd hebben tot een comité, ter bevordering van den aanleg van een spoorweg Zwolle—Almelo en daartoe reeds concessie hebben aangevraagd.

Volgens het project zal de weg loopen van Zwolle langs den staatsspoorweg tot beoosten de Nieuwe Wetering en naby den Zuider Vechtdijk, voorts langs Dalfsen, van daar in oost-zuidoostelijke rigting dwars door de vlakte van Damsholte, in nagenoeg regte lijn naar de Regge, ten zuiden van Schuilenburg, voorts van Schuilenburg oostwaarts tot de noordzijde van het Hexel en verder langs den Kanaaldijk naar Almelo, met tusschenstations te Dalfsen, ten noorden van het kanaal in Lemele, even benoorden het dorp Hellendoorn en bij Vriezenveen.

Het comité heeft van de gemeenten Zwolle, Kampen en Almelo waarborg verzocht voor de niet onbelangrijke kosten, die het voor het erlangen eener concessie en de voorbereidende werkzaamheden zal hebben te besteden. De kosten worden ophoogstens f 5OOO geschat.                         (Prov. O. en Zw. Ct.)

 

         1867-12-04 > Plan Spoorlijn langs Schuilenburg – ingezonden brief (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant)

 

Ingezonden stukken.

 

Mijnheer de Redacteur!

In het nommer uwer courant van zondag jl., no. 114, komt een stuk voor van L., waartegen ik meen met een enkel woord te moeten opkomen, omdat het, hoe ook uit de hoogte gesproken wordt over de „wijze en vroede mannen die de voorgestelde lijn wenschen, nochtans verre van naauwkeurig is.

Ik laat het aantal bewoners dier gemeenten of buurtschap den daar, die bewijzen niets. De genoemde gemeenten zijn te uitgestrekt om het aantal hunner bewoners in dezen van eenig gewicht te doen zijn. In Wierden b. v. zijn inwoners op een half uur afstands van Goor, en deze zullen toch wel niet gerekend kunnen worden belang te hebben bij een spoorweg Almelo—Zwolle via Raalte of via Dalfsen.

Het beginsel is hier een spoorweg Zwolle—Almelo te leggen, dat is hoofdzaak, en het is voorts van belang, van de tusschen gelegen plaatsen zooveel mogelijk te profiteren. Dit geef ik gaarne L. toe, maar dan is de lijn over Schuilenburg en Dalfsen verre te verkiezen boven die over Raalte.

Ik laat nu daar dat eerstgenoemde weg korter kan zijn en oneindig minder kost dan de door L. voorgestelde, omdat in dat geval de berg bij Nijverdal niet behoeft doorsneden te worden en ook de te onteigenen gronden minder kostbaar zijn. L. geeft dit toe. Maar de groote vraag is hier: welke lijn zal het best rendeeren? En ik zal tot beantwoording dezer vraag feiten laten spreken, die grootere waarde hebben dan een cijfer van 20,000 inwoners. L'art de grouper les chiffres heeft voor den oppervlakkigen beschouwer eenige" waarde; voor hem die naauwkeurig toeziet volstrekt geene.

Volgens L. zou er dan een spoorweg Almelo, Wierden, Nijverdal, Raalte, Heino, Zwolle moeten zijn, in de richting dus van den straatweg en wel liefst met eene verbinding te Raalte naar Deventer. L. noemt dien spoorweg een provinciaal belang. Maar ik vraag waarvan moeten die spoorwegen bestaan?

Van goederen vervoer? Als dan eene directe communicatie noodig is tusschen Almelo en Deventer voor het vervoer van goederen, waarom hebben dan de trekschuiten tusschen dia twee steden, die toch ook Raalte aandeden, opgehouden te varen? Snelgoederen mogen spoorwegen behoeven , voor de meeste verzending van goederen is eene trekschuit voldoende. En waar dan deze niet kunnen bestaan, hoe zal daar een spoorweg bestaan? Waarom dan niet nu reeds, als tusschen Almelo en Zwolle, ook tusschen Almelo en Deventer stoombootjes in de vaart gebragt? Die lijn Raalte—Deventer is eene illusie, maar niet een bestaanbare weg.

Maar Wierden? Wierdens eenige fabriek ligt aan een perfecten straatweg op nog geen 3/4 uur van het station Almelo en zij heeft dus een uitweg. De fabrieken te Nijverdal liggen aan de Regge. Wordt deze tot den Schuilenburg (een groot half uur gaans) bevaarbaar gemaakt, dan hebben zij gelegenheid te over, zich van den spoorweg te bedienen, En Raalte en Heino hebben geene fabrieken, terwijl Raalte in zijn kanaal een uitstekenden waterweg heeft, die toch door velen boven een spoorweg wordt geprefereerd.

Ik vraag op nieuw, waarvan moeten die spoorwegen Almelo— Raalte en Raalte—Zwolle—Deventer bestaan?

Van personen vervoer? Maar waarom kouden dan de diligences van Zwolle op Almelo niet blijven bestaan, als in die tusschen gelegen plaatsen zooveel personen waren die ze behoefden ? Waarom kon met name te Raalte de omnibus van Jorink, die te Wijhe correspondeerde op den spoorweg naar Zwolle en naar Deventer, waarom kon die niet dagelijks blijven rijden, als er zoo groote behoefte was aan reisgelegenheden? Waarom bestond de diligence Raalte—Deventer, die vroeger ook reed, slechts zoo korten tijd? Waarom moest de barge Almelo—Deventer, die toch ook Raalte aandeed, ophouden? Had Raalte betere gelegenheden naar Deventer gekregen dan de bestaande ? Of was 't niet omdat ze niet konden bestaan, omdat er geene personen gebruik van maakten, omdat er geene reizigers waren ?

Maar nu de andere lijn via Schuilenburg—Dalfsen. Komt die tot stand, dan krijgt Vriezenveen met zijne kapitalisten en fabriekanten een uitweg; dan kan Hellendoorn (waarvan Nijverdal slechts een klein gedeelte uitmaakt) zijne goederen ontvangen en verzenden in de buurt, die ze nu van 't Hankate moet halen en daar brengen (een uur distantie); dan kan de suikerfabriek te Lemele, dat centrum van eene met verbazingwekkende snelheid toenemende kolonisatie, zijne goederen verzenden en ontvangen per spoor — wat vooral voor de beetwortels van belang is, dat ze spoedig ter plaatse zijn; — dan kan Ommen, nu geheel afgesloten, hetzij te Lemele, hetzij te Hellendoorn het spoor bereiken; dan heeft Dalfsen een uitweg; dan wordt mijns inziens het belang der provincie meer gebaat dan door den weg, door L. voorgesteld, en tevens wordt een weg gemaakt, die bestaan kan, die eene raison d'être heeft.

Die weg kan bestaan, want zij heeft goederen vervoer. De Vriezenveensche fabrieken zullen toch wel kunnen opwegen tegen de Wierdensche, om nu niet te spreken van de turftransporten die er toch wel niet minder zullen zijn dan te Hengelo. De Nijverdalsche fabrieken zullen even goed gebruik maken van den spoorweg. De Lemeler fabriek heef in dezen voor den spoorweg grootere waarde dan geheel Raalte — een ieder, die de bedrijvigheid daar ziet en nu aantal schepen, dáár gebezigd, zal moeten toegeven dat Raalte nooit zoo vele vaartuigen voor zijne kade had —om nu weer niet te spreken van de suiker, die zeker tot de snelgoederen behoort. En Dalfsen met zijne stoom-cichorijfabriek, zijne zaagmolens enz. zal toch van grootere waarde zijn voor een spoorweg dan Heino, eene bij uitstek landbouwende gemeente.

Die lijn zal personen vervoer hebben. En weer zal ik alleen de feiten laten spreken. De diligence van Hardenberg over Ommen en Dalfsen naar Zwolle, zal zich op het naaste punt aansluiten aan den spoorweg, en dat die diligence is blijven bestaan, terwijl op den weg over Raalte alle middelen van communicatie te niet gingen, bewijst, dat daar reizigers zijn; dus personeel om per spoor te vervoeren.

De bootjes Almelo —Zwolle nemen passagiers mede voor Dalfsen (Kluinhaarsbrug) voor Lemele, Hellendoorn, Daarle, den Ham en Vriezenveen, en uit hun voortdurend bestaan blijkt dat ze zulks kunnen, dat die plaatsen reizigers opleveren, die, komt de spoorweg tot stand, ongetwijfeld van liet snellere middel van vervoer zullen gebruik maken.

Vier redenen van gewigt dus om de lijn te leggen gelijk in uw blad (no. 142) werd besproken, en niet gelijk L. wil 1°. voldoend personen vervoer; 2°. goederen vervoer; 3°. goedkoopere aanleg, en 4°. het gebaat worden van vele gemeenten die anders geheel worden afgesloten.

Maar ook in het belang van Almelo is die lijn. Om het even hoe de rigting zij, de spoorverbinding met Zwolle is hoofdzaak, maar deze lijn aansluitende bij de Vecht, komt direct een eind weegs noordelijker dan de andere, meer op weg naar Meppel dus en eene verbinding Almelo—Meppel, die zoo mede tot stand komt, is van groot gewicht voor geheel Twenthe.

Ik koester dan ook alle hoop, dat de heer Stieltjes, een man ten volle bekend met de belangen van Overijssel, een man die genoegzaam den toestand der gemeenten en tevens dien der terreinen, welke de spoorweg moet doorloopen, kent, geen oogenblik zal aarzelen, den spoorweg via Schuilenburg en Dalfsen verre te verkiezen boven den door L. voorgestelden, die, behalve dat ze oneindig kostbaarder is van aanleg, minder zal renderen , en ik vrees geen oogenblik, dat kapitalisten met heldere hoofden (L. zeker uitgezonderd) zich zullen terugtrekken en aarzelen hun geld te steken in een spoorweg, die zeker door zijne verbinding te Zwolle met den centraal- en staatsspoorweg een der best renderende van ons land wordt.

Met de plaatsing van bovenstaande letteren zult ge zeer verpligten.                                                 Uw dw. K.

 

         1913-09-04 > Plannen voor een stuw bij Schuilenburg (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant)

 

Gemeenteraadsvergaderingen

* HELLENDOORN, 2 Sept. In de heden gehouden vergadering van den raad

…………………

In een schrijven van den rijkswaterstaat wordt medegedeeld, dat plannen bestaan tot het aanbrengen van een stuw in de rivier de Regge, ten einde te voorkomen de water-armoede van de aangelegen landerijen, maar met het oog op de scheepvaart, die, wanneer een stuw wordt aangebracht, heeft afgedaan, wordt nu gevraagd of Hellendoorn veel waarde hecht aan een schutsluis (boven de Schuilenburgerbrug) en zoo ja, welke bijdrage in de kosten van zoo'n sluis de gemeente bereid is te geven. Omdat nog over geen  gegevens kan worden beschikt, wordt het schrijven  weer gesteld in handen van B. en W., om onderzoek en advies.

 

         1919-03-01 > De bouw van een stuw bij Schuilenburg

 

Waterschap „DE REGGE".

25 Febr. In de heden te Almelo gehouden vergadering van het Hoofdbestuur van het waterschap „de Regge"

…………………

Hierna werd behandeld het door de Hoofdopzichter van 't waterschap opgemaakte verbeteringsplan voor de hoofdstroomen van het Waterschap de Regge, waarmede wordt beoogd voorkoming van overstrooming, óók door winter-invloeden. Dit plan is, ten einde alle zekerheid te hebben dat het aan het beoogde doet zal beantwoorden, om advies in handen gesteld van het Ingenieursbureau voorheen J. van Hasselt en de Koning te Nijmegen, hetwelk in haar rapport te kennen geeft, dat de bedoelde verbetering technisch zeer goed mogelijk is.

Het 'Hoofdbestuur, --- zich vereenigende met de adviezen van het Ingenieursbureau en van den Hoofdopziener, en steunende op het verslag der Staatscommissie, ingesteld bij Koninklijk besluit van 3 Maart 1914 nr. 4, om te onderzoeken, welk tracé uit een technisch en economisch oogpunt het meest in aanmerking komt voor een kanaal, tot verbinding van Twente met de scheepvaartwegen in Nederland, dat zich op pag. 61 ad. 30., 71 en 97 in denzelfden geest uitspreekt --- is eenstemmige van oordeel, dat de belangen van scheepvaart en de afwatering in het Reggegebied niet zodanig zijn te combineeren dat de afwatering van de Regge bij eventueele verbetering van het kanaal Almelo -Zwolle afdoende gebaat zal zijn, zoodat het Hoofdbestuur van oordeel is, dat het verbeteringsplan van de Regge onmiddellijk moet worden ter hand genomen.

De uitvoering van de werken moeten worden geregeld als volgt:

4o. Verbeteren van de overige hoofdstroomingen en op bodembreedte en diepte baggeren van de Regge van ’t Exo tot Hankate. Bij deze verbetering zal het water van de Buurserbeek niet meer door en langs Almelo worden geleid naar de Regge, maar den korteren weg volgen langs de langs de Twicklervaart.

Het maken van stuwen in de Regge bij 't Exo, Schuilenburg en Archem, met inbegrip van de daarbij te bouwen wachterswoningen, wordt wenschelijk geacht, terwijl, indien zulks later nodig mocht blijken, ook ….. (?) en Giethmen en in het stroomkanaal zullen gebouwd worden.

De kosten worden geraamd in totaal op f 2.780.000.

 

         1926-01-19 > Hoge waterstand en ijs

 

Tusschen Vrijdag en Zaterdag is het water in de Regge nabij Hellendoorn tot een ongewone hoogte gekomen. Zaterdagavond werd do toestand in de omgeving van Schuilenburg zoo ernstig, dat de Burgemeester maatregelen heeft genomen. De toestand van enkele boerderijen is van dien aard, dat men 's nachts met takkebosschen een noodweg heeft gelegd, naar Nijentap en bij Rutgers alles afgedamd. De peilschaal wees Zaterdagvoormiddag 7,69 boven A.P.

Beneden de Schuilenburgerbrug heeft het ijs zicht vastgezet als ééne massa sneeuw, zich uitstrekkend zoo ver men zien kan. Het is te hopen dat het water niet meer wast.

Er zijn manschappen van de Genie gevraagd om het ijs te laten springen.

 

         1926-09-13 > Pruis op Schuilenburg

 

Uit het Verleden.

 

CLXXI.

OLDENZAAL

't Was op 18 September 1584, dat deze bede naar Deventer gezonden werd. Drie dagen later, den 21sten, werd een nieuw verzoek tot Deventer gericht, nu met twee hazen, als geschenk er bij, 't eenigste wildbraad, schreef men, dat men had kunnen bemachtigen. De Staten van Overijssel, die niet bij machte waren om de door de Generale Staten bevolen verwoesting van het gewest tegen te gaan, zochten naar een middel om hun land te redden. Zij meende dat hierin te vinden, dat zij den Graaf van Meurs tot stadhouder aanstelden. Hun gedachtengang daarbij laat zich wel gissen: als hij, die belast was, het platteland van Overijssel te verderven, stadhouder was geworden, zou het zijn plicht worden, dit zooveel mogelijk te behouden. De Graaf van Meurs wilde wel het stadhouderschap aanvaarden en ontving het dan ook van Ridderschap en Steden in September 1584. Zoodra hij goed en wel tot stadhouder was aangesteld, werd hem ernstig de nood van het Landschap op het hart gedrukt. De Staten van Overijsel bekláagden er zich over, dat de Generale Staten niet alleen het geheele veldleger van ruiters en knechten in Overijsel hadden doen legeren, doch dat zij ook den 30sten Juni, zonder Ridderschap en Steden vooraf te hooren, „die ongottlicke barbarische resolutie" genomen hadden, „datt men die Lantschap van Overijssell mitt plonderen, vangen, spannen ende beroeven van den ondersaten, voorts mit roef en brant solde verwoesten, wie sick (leider Gott) volgentz ten deele geschiet, also dat niet een huisman in den Lande hefft konnen blijven, dan henluyden niet aleene hoere vehe, biesten, end all oer goedt ist benamen, dan oick daer en boven noch gevangen, gespannen ende thot groten rantzoen gedrongen ende een deel daer aver doet gepinigett worden, ende mitzdien der Landtschap alle middelen van contributiën ende onderholt der soldaten benamen ende tho niete gedaen". Zij verzochten derhalve den Stadhouder voor „die arme ingesetenen" op te komen en het land voor roof en brand, door het eigen krijgsvolk te beschermen. „Want" schreven de Staten „hett is genoechsam bevonden, datt die ingesetenen desses Landes voele meer van onss eigen volck geplondert en beroevet syn, dan andere, die onder den vyant voer Oldenzell, Coverden, Lingen end andere vyantliche plaetsen sich erholden, die alle hoer gewasz daeromtrent beholden en genaten hebben. En al die verwoesting baatte immers toch niets om aan de Spanjaarden den toevoer van levensmiddelen af te snijden. Die wisten het noodige wel te krijgen uit het bisdom Munster, van Osnabruck, uit Lingen en andere streken.

Ook wendden Ridderschap en Steden van Overijsel zich opnieuw tot de Generale Staten. En ze slaagden er eindelijk in December 1584 in van deze te verkrijgen, dat bevelen zouden gezonden worden om met de verwoesting van het platteland op te houden en de gevangen boeren terstond te ontslaan, mits Overijsel elke maand f 7100 opbracht.

Toch hielden daarmede de euveldaden van het Staatsche krijgsvolk nog niet op. Nog in Maart 1585 klaagden de Staten bij den stadhouder Van Meurs er over, dat dagelijks door de bezetting van Lochem, van Schuilenburg en andere kasteelen de onderzaten gevangen en beroofd werden. En de Staten dachten er over geweld met geweld te keeren en de roovers aan den lijve te straffen.

't Was ook verschrikkelijk, wat het Platteland van de bandelooze soldaten te lijden had. Men vindt zelfs vermeld, dat ze kinderen met geweld medewoerden om de ouders te dwingen ze voor grof geld los te koopen.

In het kasteel Schuilenburg zat Pruist, de beul van Delden. Dit heerschap werd zoo driest, dat hij in Maart 1585 van de stad Deventer een stuk grof geschut eischte: zoo men 't hem niet gaf, zou hij, waar hij kon, de klokken uit de torens halen! Niet lang daarna echter verjoegen de Spanjaarden hem uit Schuilenburg en Pruist kwam te Zwolle. Daar werd hij gevangen genomen en als een gemeene straatroover onthoofd. Dat was het einde van dezen bandiet.

Wat Twente gedurende dezen rampzaligen tijd heeft te lijden gehad, blijkt uit de volgende opgave van 1585:

„Stedeken Almelo is verbrant".

„Stedeken Delden, dat ook verbrant is".

„Stedeken Goor is verbrant".

„Gerichte van Kedingen, daervan is verwuestet Notter, Peckedam, Iperloe, Elsen, Hereke ende Markelo".

„Stedeken Rijssen is seer gefouleert".

„Gerichte van Haexbergen, daer onder het stedeken mede begrepen, is meestendeel verwuest".

Oldenzaal, Ootmarsum en Enschede waren in handen van de Spanjaarden en in die omgeving waagden de Staatsche troepen zich niet zoo licht. Maar toch ondernamen zij er in Augustus 1589 een strooptocht, waarbij naar de geschiedschrijver Moonen vermeldt, 1000 paarden, 500 hoornbeesten, 1000 schapen en varkens zonder tal werden meegenomen.

Evenwel werd voorshands nog geen poging gedaan om Oldenzaal aan de Spanjaarden te ontnemen. Trouwens hadden dezen sedert 1587 ook Deventer in hun macht, dat door het verraad van den Engelschen bevelhebber Stanley aan hen was overgegaan. Prins Maurits heroverde in 1591 Deventer en verscheen in 1592 voor Ootmarsum, dat slechts een bezetting van 102 man had en zich spoedig overgaf. Hij rukte toen echter niet op tegen Oldenzaal, doch trok naar Koevorden.

Vijf jaren later evenwel kwam ook Oldenzaal aan de beurt, gelijk trouwens geheel Twente. Want ook Ootmarsum was niet meer Staatsch bezit, daar het reeds in 1593 door de Spanjaarden heroverd was. De veldtocht door prins Maurits en zijn neef, den Frieschen stadhouder Willem Lodewijk, gezamenlijk ondernomen, begon in Augustus 1597. Eerst trok het Staatsche leger, uit 8000 voetknechts en 1400 ruiters bestaande, naar de stad Rijnberk aan den Rijn, dat na een negendaagsch beleg veroverd werd. Nadat ook Meurs bemachtigd was, werd Groenlo of Grol den 11en September bereikt. Deze sterke plaats werd 27 September bemachtigd, daarna Breedevoort op 9 October en nu rukte het Staatsche leger naar Twente over doorweekte wegen en in regenachtig weder.

Over Stadtlohn, Ahaus en Gronau kwam het op 18 October voor Enschede, dat slechts een bezetting had van 120 man en zich dan ook reeds denzelfden dag overgaf. Den volgenden middag was Prins Maurits al bij 5 Oldenzaal en legerde zich met zijn volk - zooals de geschiedschrijver Duyck zegt -- „achter een berchsken in 't vlacke velt” en wel ten Noord-Noordoosten van de stad, dus daar, waar thans de straatweg naar Ootmarsum de hoogte afdaalt.

 

         1934-02-16 > Weg op Schuilenburg niet meer in Publieken dienst

 

Hellendoorn

Raadsvergadering.

Woensdagmorgen vergaderde de raad der gemeente Hellendoorn onder voorzitterschap van den burgemeester graaf van Limburg Stirum.

……………….

Nog wordt besloten om een gedeelte van den vroegeren weg op Schuilenburg te onttrekken aan den Publieken dienst.

 

         1941-03-04 > Het slot Schuilenburg (Twents Volksblad)

 

HET SLOT SCHIUILENBURG BIJ HELLENDOORN

 

Bewogen geschiedenis van een hecht bolwerk

Het voormalige kasteel Schuilenburg was gelegen ten Oosten van Hellendoorn. Bij het onderzoek naar het grijs verleden van dit kasteel is men vaak op moeilijkheden gestuit, die hoofdzakelijk zijn oorzaak vonden in het feit, dat er drie kasteelen zijn geweest van dien naam. 1e bij Hellendoorn; 2e bij Terborg; 3e bij Neuenhaus in Gr. Bentheim. De naam komt voor onder verschillende vormen: Sculenberg, Schulenborgh, Schuilenborg, Schuilenburg, terwijl het volk verder spreekt van Schoelenberg en meent, dat het vroeger een klooster is geweest of een kerkelijke stichting.

Het geslacht Schulenborgh dat de havezathe bij Hellendoorn heeft bewoond en ook het huis Schulenburg bij Silvolde in de graafschap Bentheim, was ongetwijfeld hetzelfde.

Van een „Schuilenburg" wordt reeds gewag gemaakt in overoude tijden.

We hooren van een Schulenborg in de 12e eeuw en dan weer in 1381 Zweder v. Schulenborg, „Heer van het kasteel ter Molen" zou helper geweest zijn bij de inneming van het kasteel Eerde v. Evert van Essen. Floris van Wevelinckhoven zag, dat in 1381 het huis Schulenborg verwoest werd.

Wanneer de Schuilenburg weer opgebouwd is, staat nergens beschreven. Zeker is het, dat de Schuilenburg zich als versterkt slot liet gelden in de dagen van Karel van Gelder in 1525, die het van bezetting liet voorzien en or meester bleef tot 20 Sept. 1528, toen hij het aan Karel V overgaf. Vanaf 1581 kwam voor Overijssel een zwaren tijd, n.l. de confiscatie en annexatie der roerende en onroerende goederen, welke, de vijanden des Konings, de aanhangers van den prins van Oranje toebehoorden en in beslag genomen werden. Aan de meijers was „bij brant" verboden om betaling te doen aan den ontvanger. In het kerspel Hellendoorn worden enige meijerluiden „mette gewaltige hand" vervolgd om „deselbe tot schrick van anderen in des provoostes ijzeren te sluyten".

In de omgeving van de Schulenborg zijn meermalen geraamten in den grond gevonden. Misschien vinden wij die verklaring daarvan in hot bericht in 1584 dat „opt Huyg Schuylonborgh allenlück in do behaftinge van den provoost gestorven und bedorven zijn an d' achtundturntich personen, soe mans vrouwen als kinderen'

 

Een heer van Schuilenburg onthoofd.

In de oorlogsjaren nu 1580 heerschte op Schuilenburg de heer Pruist, bijgenaamd de beul van Delden. Dit heerschap was zoo brutaal en driest, dat in Maart 1585 van de stad Deventer een stuk grof geschut eischte. Als het hem niet gegeven werd, zou hij overal, waar hij maar kon, de klokken uit de torens halen.

Niet lang daarna verjoegen hem de Spanjaarden uit de Schuilenburg en Pruist kwam in Zwolle. Daar werd hij gevangen gezet en tenslotte als een gemeenen straatroover onthoofd. Dat was het einde van dezen oorlogsbandiet, die de streek rondom Hellendoorn langen tijd onveilig maakte.

Tot 1585 bleef de Schuilenburg in het bezit der Staatsche partij. In dat jaar werd het na eenige dagen beleg aan Taxis overgegeven. De Spanjaarden hielden Schulenborg tot 1592 bezet, toen werd het heroverd.

 

De Schulenborg is een bolwerk geweest

in vrede en oorlogstijd. Het was een van de 20 burchten langs de Regge-linie en waarlijk niet de minste. Sterk geborgen achter het geweld van wallen en dubbele gracht lag het slot daar als een uitdagend dreigement en uittartend gevaar voor de vijanden en als een veilige bescherming voor de bewoners.

Daar hebben geslachten geleefd: de Schuilenburgs, van Boetzelaars, v. Kettelers, van Raesfelt, van Rechterens. De streek heeft in oorlogstijd veel te lijden gehad en dit blijkt uit den omslag over de kerspelen tot onderhoud der garnizoenen in 1585. Colschate plach te geven f 597, is nu verwuestet ergo O; Olst plach te geven f 407, is nu verwuestet, ergo nihil; Raalte, hetzelfde; Hellendoorn plach te geven f 406, dan vermist hetzelfde ten deele verwuestet is, ten deele onder de Schulenborg is gelegen, ergo nihil.

De lange lijst van bewoners van Schuilenburg zullen we voorbij gaan. Een van de eerste bewoners is geweest van der Molen. Den 18den Mei 1339 erkent Johan van der Molen verkocht te hebben aan Johan van Almelo het huis ter Molen of ter Mollen, zooals dit kasteel ook genaamd werd, met recht van zwanen te houden van de Nijeersbrughe tot het Duvelskate, benevens het recht van den wind en den molen, gelegen in het kerspel van Hellendoorn.

Wanneer Schuilenborg is afgebroken is niet bekend. Bij de volkstelling in het jaar 1748 staat; „'t huijs Schuilenburg niemandt". In 1803 was er niets meer te zien dan een boerenhuis op of omtrent de plaats staande. Het kasteel Schuilenburg was al jaren gesloopt. De laatste resten der fundamenten werden omstreeks 1840 gebruikt voor de verharding van den weg Zwolle-Ommen. De watermolen bleef nog jaren bestaan, en in 1847 bestond deze molen nog. Omstreeks 1860 kwam het goed Schuilenburg (het huis was gesloopt) in het bezit der familie Wilton en uit deze hand ging het over in het bezit der familie Vening Meinesz, De tegenwoordige eigenaar is de bekende en beroemde prof. Dr. Vening Meinesz. De buurschap aldaar draagt nog steeds den naam en het is duidelijk merkbaar aan de ligging van het geheel, aan de prachtige laan enz., dat er in vroegere jaren een burcht gestaan heeft.

 

         1941-05-10 > Katenhorst in Overwater, deel 1 (Twentsch Volksblad)

 

„Slot" of “Burg”

KATENHORST IN OVERWATER

GESCHIEDENIS VAN EEN  OUD BOERENERF.

 

(in dit stuk ontbreken op de … stukken tekst, doordat de krant waarin het artikel stond is aangevreten door muizen)

Die nogal voornaam klinkende woorden „slot" en „burg" werden voor het eerst een eeuw geleden noemd, wanneer Katenhorst in Overwater ter sprake kwam (Van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek 1840).

Katenhorst (wij zeggen of hooren meestal zeggen Kaanhorst, Kaarnes, en nog meer ingekrompen Kaarns'). Laat ik u maar dadelijk zeggen, de naam Catenhorst in Overwater niet van vandaag of gisteren is. Of het toen een burg of slot was? Dat ik u niet zeggen, maar wel dat er toen groote heeren woonden, die iets zeggen hadden in ons gewest; o.a. Morro Van Catenhorst, die ongeveer in het jaar 1400 genoemd wordt. Later leeft er een geslacht Morre in Overijsel, en wij veronderstellen, dat geslacht met Catenhorst te doen had. Dat is het oudste geluid over bewoners van Catenhorst, n.l.: „Morro Catenhorst in de buurtschap „Hulsene" (O.A. 1850, blz. 186).

Maar het zijn niet de Morre's, die altijd bezitters van den Catenhorst zouden blijven. Op 21 Juni 1417 verkoopt Johan Morre van Catenhorst aan Sijmon van den Sculenborch het goed Catenhorst in de buurtschap;) Hulsene, zooals wij lezen in een oorkonde uit het Oud-Archief van Huis Rechteren.

De Catenhorst ligt in Hulsen  ligt weten we allemaal, maar is Catenhorst ook de veel genoemde ´Hof te Hulsen”? Zooals wij ook horen van den “Hof te Eelen” enz.?……..1

Vroeger was schrijver van meening, dat de Hof te Hulsen het zelfde was als Katenhorst. Maar nu valt het mij op, dat op 14 Januari 1418 de toenmalige Bisschop van Utrecht Frederik van Blankenheim erkent aan Sijmon van de Sculenborch verkocht te hebben het erf Katenhorst (A. Recht). Mij dunkt, als Katenhorst hetzelfde was als de Hof te Hulsen, zou dit in de stukken wel eens genoemd zijn geworden! Reeds vóór dat Catenhorst onder den Schulenborg kwam, was de Hof te Hulsen met den Sculenborg verbonden, want op 24 November 1403 vernemen wij van een geschil tusschen Sweder van Hekeren en Sweder van de Sculenborch met diens Vrouwe Hadewijck over een rente van 23 mudde rogge 's jaars gaande uit den Hof te Hulsen.

Als wij nu weten, dat ook 't kasteel Schulemborch (aan deze zijde van de Regge) nog tot Hulsen behoorde, dan is de meening van belangstellende en gewaardeerde zijde geopperd, wel zeer waarschijnlijk, dat ook de Hof te Hulsen aan deze zijde van de Regge is te zoeken (evenals Rutgers, Ielsak, Goosens Evert, Hans voor de mole in 1642 met Kalvenhaar, Bruckeler, Suyborch, Blockvoort, Velthuis en Lambert als erven liggen in HuIsen, terwijl in 1742 de „Holsener Boer" weer tusschen de erven van Rutgers en Goosens staat).

In dit geval is er veel voor te zeggen, dat het Oude Holsener (of oude Hulsener) wel eens de kern van den Hof te Hulsen geweest kan zijn! De Hof te Hellendoorn (Hofman) lag toch ook de nabijheid van den Dam. Natuurlijk wordt deze meening bij wijze van hypothese geopperd, maar zij heeft recht van bestaan, zoolang geen betere uitleg is gevonden, Het laatste woord daarover zal nog wel niet geschreven zijn!

Ondertusschen is het erf Catenhorst een leengoed geworden, geheel dien tijd van de 15e en 16e eeuw aldoor, waarin wij kennis maken met verschillende persoonlijkheden, die er optreden als beheerders van den Schulemborch en de aan Schulemborch leenroerige goederen. Johan van Eeghen, schout of richter te Hellendoorn, heeft op 22 Maart 1446 beschreven en een oorkonde opgemaakt, dat Albert van Hengeveld verklaart, dat Vernemer Van Zudend (= Zuna) hem heeft meegedeeld, voorloopig niet in staat te zijn om naar Hellendoorn, Risen of Zuna te komen om Symon van den Sculemborch te beleenen met het erf Katenhorst. Op 17 Juni 1440 heeft Wernemer van Zudena Derck van de Sculemborg beleend met het erf Katenhorst in Hulsen. Weer vernemen wij van den Catenhorst op 3 Juli 1491, als Notaris Johannes van der Borch een stuk opmaakt, dat Theodoricus van de Sculemborch, Ridder en zijne Vrouw Hendrica van de Kuenze hun testament maken en aan hun Zoon Henricus van de Sculemborg, kanunnik te Munster en van de kerk te Deventer, het vruchtgebruik geven van het huis ter Molen en het goed Catenhorst, welke goederen na diens dood in vollen eigendom zullen komen aan hunne dochter Hadewijch, gehuwd met Sweder Van den Boetzelaer, Ridder. Op S Juli 1492 wordt Hendrik van de Sculemborch beleend met het goed Catenhorst door Otto van den Rutenberg (bij Dalfsen).

In de 16e eeuw zijn de Sculemburgsche goederen in het geslacht van … Boetzelaar (van het Huis Bo………………… bij Kleef afkomstig), zooals …………te lezen is in het boekje , “Oud Hellendoorn en omgeving".

Was nu in dien tijd de Sculemburg al een kasteel, of burg: of ………… vernemen wij nergens van ………… met ons denken ……… als een ……er" of landhuis …………, maar niet met ………… watergangen, zooals ………… was. Of er in de 15e en 16e eeuw …… adellijke familie's waren ……… . Ook daarvan weten wij ………… stukken en toch was het b… .

N. B. Deze stukken uit het archief van het huis Rechteren zijn ……… het Rijksarchief te Zwolle ………… tot nog toe op het Algemeen ………… archief te 's Gravenhage. Binnen ……… wordt een uitvoerig werk over belangrijk archief gepubliceerd en beschreven door Jhr. Mr. Dr. Graswinckel, die ook de archieven van het Huis Berg te 's Heerenberg heeft beschreven.

Terwijl wij in de Bisschoppelijke Rekeningen van Utrecht's bisschop van zoovele erven uit Hellendoorn's kerspel vernemen van lasten, cijnsen en beden (o. a. Middendorp, Scipcate, Duskotte, Veenhuis, enz.), worden de oude erven om den Schulenborg daar nooit genoemd. Evenmin vernemen wij iets omtrent deze erven uit het „Quohier der bezittingen van 's Konings vijanden in Salland opgemaakt in 1583" of de „Rekeningen der confiscatiën in Salland en Twente", een document, waaruit de invorderingen van posten vanaf 12 Januari 1582 tot eind September 1586 worden beschreven. De ontvanger noteert daarin „de goederen, roerende ende onroerende, toebehoorende aan onze vijanden, rebellen, aenhengeren van den Prince van Orangien, ende anderen houdende onse tegenpartie, enz."

Het zag er daar met de boerenerven eigenaardig uit in de jaren 1584—'85 rondom 't huys Schulenborgh, welcke huys verleden winter bij den vijandt ingenomen ende met garnison bezat te voete en te peerde, sinnen derhalven de Erven daeromtrent gelegen niet dan met groot perickel accessibel (= toegankelijk) geweest, ende so hebben oock die grontheeren deur middel van 't selfde huys het koren den meijeren afhaelen." Daar was dus voor den Ontvanger niets te halen. Van deze erven moest hij dus noteeren „oversulckx in de gewalt van den vijandt opt huys Schulenborgh liggende, niet ontfangen". (Zie Bijdragen Geschiedenis Overijsel XII, 210.)

Vandaar dus dat we in den „Spaanschen tijd" niets van den Catenhorst uit bovengenoemde registers vernemen.

(Wordt vervolgd.)                        A.E.R

Maarssen/Hellendoorn, Mei 1941.

 

         1941-05-24 > Katenhorst in Overwater, deel 2 (Twentsch Volksblad)

 

„Slot" of “Burg”

KATENHORST IN OVERWATER

II (slot)

 

Meer hooren wij van den Catenhorst in de 17deeeuw,en wel in het doopboek van Hellendoorn, waar  staat: „1611Catenhorst ein Sohn van den Hernn thoe Assen Conradt". Dat kan men alleen goed begrijpen als men weet, dat een dochter van Johan van Boetzelaar, genaamd Theodorica van getrouwd was met Wilhelm van Kettler. Diens oudste dochter Odilia trouwde met Conradt van Kettler thoe „Assen und Schulemborch". (Over dit beroemd geslacht van Assen in Westfalen zie: „Oud- Hellendoorn en Omgeving" blz. 45.) Volgens doopboek zou deze Conrad gehuisvest zijn op Catenhorst, waar hij in 1625 overleed. (Van Doorninck, Aanteekeningen7.) Niet alleen van den Landheer, maar ook van den meijer Van Catenhorst de erven van Hulsen genoemd worden, bijv.in de lijst van gasten rogge, brooden en cijers aan den koster van Hellendoorn verschuldigd. Zoo weigert in 1742 de „Catenhorst Boer" het geheele tractement van den koster-schoolmeester te betalen en zegt er bij: Siet de lanter toe dan wyl de boer wel betalen! (Zie „Het Kosterij-en Schoolwezen te Hellendoorn in de XVIIe en XVIIIe eeuw", blz- 74; ov. Regt en Geschiedenis1929, 46e stuk.) Wij leerden straks den landheer van Kettler kennen, maar in de 17e eeuw is hét Huis de Katenhorst in andere handen, n.l. het geslacht Van Bernsau, waarin het langer dan een eeuw zal blijven. Was de Katenhorst toen een riddermatige havezathe? Neen - wel zien wij op 20 April 1661 „die Heere Willem van Berensau ten Harden bergh" op de vergadering van Ridderschap en Steden aanwezig, maar dat was niet namens den Catenhorst. Op 11 Januari 1691 trouwt Engelbert Rycquin van Ensse tot de groote Schere en Zwanenborgh met Maria Elizabeth van Bernsau van Catenhorst in de Groote Kerk van Hellendoorn.

De familie van Bernsau woonde dus toen nog op den huize Catenhorst.  Volgens opgave van den Schout van Hellendoorn op Mei 1076 vernemen wij, dat „Des Heeren Bernshauws behuizinge genaemt Catenhorst door zijn hoogedele bewoont, sijnde van huisgezin sterk vijff personen” In 1710 is Generaal van Berensauw thoe Catenhorst nog op de vergadering der erfgenamen der Marke. Het huis de Catenhorst werd daarna door andere geslachten bewoond, o. a. den Heer van Steijn. Zoo lezen wij:

“Op 22 Februari 1729 betaald door J, D. Meijners als rentmeester van de Catenhorst voor het begraven van Sigismundus Dijkman (gewezen knecht van den Heer van Steijn) in de kerk aan de Westkant van de deure als van outs f 4—2—." „Den 21 December 1730 voor hei begraven van de koetsier van de Catenhorst Lodewijk in de kerk aan de Westkant der deure f 4—2—“

Omstreeks het jaar 1750 behoorde de Catenhorst als leengoed onder den Grimberg bij Rijssen. (Zie Ter Kuile, Twentsche Havezathen, blz. 109.)

Voor dien tijd vernemen wij niet anders of de Catenhorst was leenroerig aan het huis Schuilenburg. Deze Heeren waren dus heer en meester van den Catenhorst, zooals wij bij alle pacht- en rechtshandelingen zien, en dit waren destijds de graven van Rechteren.

In den tijd na 1750 is het Huis of „Spieker" meestal onbewoond, en werd het gedeeltelijk in beslag genomen door den meijer of pachter, echter op deze conditie, dat als de Mevrouw eens kwam voor een tijdje, meijerboer zich maar weer bouwhuis moest behelpen. .Men kan zich voorstellen, dat op die wijze aan het „spieker" niet meer het noodige onderhoud werd besteed, en dat het heerenhuis langzamerhand moest vervallen.

Op 6 Februari 1749 werd Erve Catenhorst door den Rentmeester van den Heer Graaf van Rechteren verpacht aan Henrdik Lamberts van 6 jaar. De pachter zal gehouden wezen het schaephok en so daer mettertijd van 6 jaar. De pachter zal gehouden wezen een huis getimmerte mogte worden onderhouden enz. enz.

Hendrik Lamberts was met goedkeuring van den Drost van Salland A. B. D. van Pallandt op 21 September 1746 tot schutter van den Schulenborg aangesteld. Een gezegelde brief bestaat nog, waarbij op 1 September 1753 Hendrik Lamberts tot „Jager van wege de Havezathe Schulenborgh is herbenoem door A. Gravin van Rechteren ingevolge het vernieuwde Reglement op de Jagt"

Op den eersten Augustus 1757 werd Hendrik Lamberts weer pachter voor zes jaar tegen de som van 100 gld. per jaar.

Op 7 Juni 17 verpachtte Haer Edel.-mevouw gemalinne van Bernsau aan Lambert Sohn op het Nijmeijers het haar toebehoorend „Bouwhuis van het huijs te Catenhorst met landerijen als den Grooten Camp bij het 't Huijs, het voorste en achterste zonder den Haverkamp, den Telgenkamp, en soo genoemde Calverweijde, den binnenste weg in de allee bis aen den graven soo door de allee gaet enz. enz. Tot hoij en weiland sal hij in 't gebruick hebben, de groote maete, het Sümpel, het Vlier, de nett staeken, ende het Drostenmaetie gelegen bij de Helderse brugge. Tot sijn woning sal den man mogen gebruiken den eenen vleugel van het huijs de Catenhorst neffens het eene bouwhuis soo de laetste mael is gebouwt geworden. Edoch in val de vrouw verpachterse op Catenhorst mochte kommen e…. het Haer wilde hebben, sal hij huurman voor die tijd alleen met het bouhuis moeten behelpen. Voorst sullen de huurluij den huijs Catenhorst met die daerop sijnde meubelen in goeden en reinen staet holden.''

„De huursom bedraagt het eerste jaar honderd vijftig caroli guldens, het tweede jaar honderd zestig guldens, het derde jaar hundert tachtig guldens. Aan toeparten sal hij geven

Acht voor goeden torf

een wheer met dewolle,

twee vette ganzen,

twee paar hoenders,

hondert paascheiers

en tweevlass tespinnen, de diensten gelijk andere meijers schuldig en van ouders gebruijkelijk."

Op Dinsdag 8 Juli 1777 werd bij den Rentmeester des huijses Rechteren ingezet:

„Het Erve en goed den Catenhorst leenhoorig aan den huijse Schulenburg met zijn hooge en lage landerijen, houtgewas en de grond daer de allee ogpestaan heeft – met de eene vleugel door Catenhorst tot stalling gemaakt enz.” De afbraeke van de vleugels op den Catenhorst werd vrij verkocht. – Het geheel werd getrocken door Hendrik Catenhorst voor 3850 caroli guldens van twintig stuiver het stuk op 15 Juli 1777. De acte van transport en beleenining van den Catenhorst is gepasseerd op 4 mei 1778.

De kooper had het geld daarvoor opgenomen van Philippus Van Arnhem te Zwolle en van Dr. Arnold Helmich op den Elskamp te Luttenberg. Het „Spieker” toen zijn geschiedenis gehad. Het werd geleidelijk gesloopt. Het tegenwoordige huis, laat nog een onregelmatige aanleg zien; het is gebouwd van de afbraak van het Catenhorst spieker; de oude put zit bezijden het huis nog in den grond.

De kinderen van Hendrik Catenhorst en Marie Gerrits hielden boedelscheiding en verdeling op 31 Mei 1815 ten overstaan van den Heer J. A. van der Plas Bouwmeester. Het erve blijft in de familie die zich nu Catenhorst blijft noemen. Eerst meijert aldaar Jan Catenhorst, getrouwd met Maria Ruiter (1822). Het huwelijk van Jan Catenhorst met Johanna Willems was kinderloos, en zoo werd als erfhoudster aangesteld een dochter van Jan van den Berg, Hendrika, welke in later jaren huwde met Jan Reimert van het erve Reimert te Haarle.

Dit waren de ouders van Jan en Joanna Reimert, waren ongehuwd en namen een dochter van hunne zuster (die getrouwd was met O. J. Toef op Dijkhuis) bij ben in. Deze trad in het huwelijk met Herman Reimert uit Haarle, die nu altijd de bewoner is van den roemrijken Catenhorst, waarvan de naam als „Catenes" nog steeds voortleeft met eere.

Ziedaar de lange geschiedenis van het eens zoo befaamde „Slot" Catenhorst in Overwater, waarvan zoo menige bijzonderheid mij welwillend opgespeurd en verteld werd door Joh. Beune te Hellendoorn. Hem, niet mij, wete de lezer dank daarvoor.

A. E. R.

Maarssen/Hellendoorn, Mei 1941.

 

         1950-04-26 > Niets verraadt de plaats van Schuilenburg

 

Het kasteel Schuilenburg

Niets verraadt de plaats, waar het stond

 

Als men van 't Hooge Hexel de oude „Heckseler dijck" volgt en de Regge passeert in de buurtschap Hutsen, noord-oostelijk van 't dorp Hellendoorn, bevindt men zich op een plek, waar eens een der oudste en sterkste kastelen van Twente stond: de Schuilenburg. Niets herinnert meer aan de machtige burcht, tenzij enkele overblijfselen van stenen in de bodem. Ook van het kasteel ter Molen, dat vlak bij de Schuilenburg stond aan de oude „Twentse weg" van Zwolle naar Almelo, is geen steen op de andere gebleven.

GUNSTIGE LIGGING.

De ligging van de Schuilenburg op het punt waar de algemene handelsweg Zwolle—Twente de negge kruist, bood grote voordelen. De Regge was een belangrijke scheepvaartweg, welke echter alleen bevaren kon worden bij de gratie van de Heren, die aan de oevers van deze rivier hun kastelen hadden gebouwd, zoals: Oosterhof en Grimberg te Rijssen, Eversberg, Ten Dam en Schuilenburg onder Nijverdal—Hellendoorn, en verder noordwaarts Rhaan, Mennerikshave en Eerde.

De kasteelheren hieven tol van de schippers en dit was een bron van twist tussen hen en de handelssteden aan de IJsel. Tenslotte leidde deze toestand tot de vernietiging van de Schuilenburg, die het blijkbaar de handel het lastigste maakte: in 1381 werd het „roofslot" door de landheer bisschop Floris van Wervelinkhoven, met behulp van de steden Deventer, Zwolle en Kampen met de grond gelijk gemaakt.

Later is het kasteel weer opgebouwd. De geschiedenis vermeldt n.l., dat hertog Karel van Gelder in 1523 bezetting legde in de Schuilenburg. Wanneer dit nieuwe kasteel verdween, is niet bekend De ligging aan de z.g. Twentse Weg bood ook het voordeel, dat tol geheven kon worden van handelaren, die van deze weg gebruik maakten. Tenslotte vormden de rivier met haar armen — o.m. de Molenbeek — en de moerassige omgeving een beschutting tegen vijandelijke overvallen. De heren van de Schuilenburg hadden dus wel hun kasteel op een bij uitstek gunstige plaats gebouwd

VONDSTEN BIJ DE OPGRAVING

Van de Schuilenburg wordt het eerst melding gemaakt in 1125, tijdens een oorlog tussen keizer. Hendrik V en Lotharius, hertog van Saksen. Omstreeks 1840 zijn de fundamenten van de voormalige burcht bloot gelegd en uitgegraven. Daarbij bleek, dat de sterkte 20 el lang en 17 el breed is geweest. Zij was omgeven door een gracht van 6 el breed. Tussen gracht en kasteel stond een ringmuur ter dikte van een el, die bij 'n belegering als eerste bolwerk diende. Een onderaardse gang leidde tot aan de Regge. Het geheel besloeg een oppervlakte van ruim 1/4 bunder.

Volgens een mededeling van F. Graaf van Bijlandt uit Wierden in de Overijsselsche Almanak van 1842 kwamen bij de opgraving te voorschijn een net bewerkte koperen kraan, een uit steen vervaardigd hoofd van een vrouwenbeeld en een zonnewijzer. Laatst genoemd merkwaardige voorwerp was van een soort zandsteen gemaakt, zoals men in vroeger tijden wel gebruikte om altaren en zerken te vervaardigen.

 

         1951-06-29 > Schuilenburg belegerd

 

zondagscourant

Vervolg geschiedenis van Twente

Twente onder de Utrechtse bisschoppen

Van de 10e tot de 12e eeuw

 

Over de kerkelijke organisatie en het kerkelijk bestuur van het Archidiaconaat Twente hebben we uitvoerig geschreven, toen we de geschiedenis van de kerk in Twente behandelden. Alleen voor zover het nodig is voor het goed begrip van de profane geschiedenis, maken wij er thans melding van.

…………………………………

DE SCHUILENBURG BELEGERD

Salland, voor zover het niet bij Hamaland behoorde, kwam onder Bernulf's opvolger Koenraad aan de Utrechtse Stoel. Tot dusver hadden de keizers de bisschoppen gesteund, maar onder bisschop Gondebald, die in 1122 aan het bewind kwam, was de goede verstandhouding zoek: de Utrechtse kerkvorst geraakte zelfs in oorlog met keizer Hendrik V.

Gondebald verbond zich met Petronella van Holland, de Saksische hertog Lotharius en de bisschop van Munster. Nog voor de verbondenen tijd hadden hun troepen te verenigen, veroverde de keizer Deventer, trok vervolgens naar Twente en belegerde het sterke kasteel Schuilenburg aan de Regge. Inmiddels had Lotharius een aanzienlijke troepenmacht verenigd en rukte daarmee op naar Deventer, waardoor de keizer zich genoodzaakt zag het beleg van de Schuilenburg op te breken.

De bondgenoten waren blijkbaar niet sterk genoeg om de keizerlijken uit Deventer te verdrijven, maar nog voor zijn dood in 1128 kreeg bisschop Gondebald de stad toch terug.

 

         1951-07-06 > Schuilenburg en De Groote Scheere; Strijdrumoer in de 13e eeuw

 

(De relatie tussen Hardenberg en Schuilenburg)

zondagscourant

Geschiedenis van Twente

Strijdrumoer in de 13e eeuw

 

BLOEDIGE SLAG BIJ ANE.

Naast deze werken des vredes had bisschop Otto voortdurend te doen met oorlogszaken. Hij werd in 1227 gewikkeld in een strijd met opstandige Drentenaren, welke strijd ook voor vele Twentenaren een noodlottig einde zou nemen. Toen burchtgraaf Rudolf van Koevorden opstond tegen zijn leenheer, de bisschop, kozen de Drentenaren zijn partij. Otto riep zijn getrouwen te wapen en vele Twentse, Hollandse en Gelderse edelen trokken met hem te velde.

……………………………………

Op 3 Augustus zet het leger zich, onder bevel van de bisschop-ridder, in beweging en reeds de volgende dag stuit men bij Ane onder Hardenberg, op de vijand.

(deze delen uit het artikel zijn nodig om het volgende deel in zijn verband te kunnen plaatsen)

…………………………………..

TRAGISCH EINDE VAN BURGGRAAF RUDOLF.

Groot was de ontsteltenis te Utrecht, toen daar de nederlaag en de dood van bisschop Otto III bekend werden. De kanunniken kozen Willebrand, bisschop van Paderborn en bloedverwant van de Hollandse en Gelderse graven, tot kerkvorst en diens eerste werk bestond in het treffen van maatregelen om de opstand in Drente te beteugelen.

Daartoe bouwde hij, met steun van Zwolle, dat veel belang had bij de veiligheid in Salland (scheepvaart op de Vecht!), te Hardenberg een sterk kasteel als bolwerk tegen Drentse roofzucht. „Omstreeks de feestdag van de apostelen Simon en Judas (28 October, van het jaar 1227) sloeg men de handen aan het werk, met zoveel ijver en naargeestigheid, dat de Hardenbergse vesting nog vóór Kersttijd voltooid is geworden", meldt een historieschrijver.

Bij de bouw werd allerlei materiaal, zoals poorten en balken, gehaald van het gesloopte kasteel Schuilenburg te Hellendoorn. Een deel van het bouwmateriaal was dus kant en klaar en dit verklaart de snelle voltooiing van de Hardenbergse burcht.

 

         1951-09-07 > Het einde aan roofridders; ook Schuilenburg verwoest

 

zondagscourant

Geschiedenis van Twente

 

Bisschop Jan van Vernenburg bedwingt de roofridders

Wassende invloed der „grote steden”

 

Bisschop Jan van Vernenburg stierf in 1371 en werd opgevolgd door Arnold van Hoorn, die echter reeds na 7 jaar verplaatst werd baar Luik. Nu beklom Floris van Wervelikhoven de Stoel van St. Willebrord. Hij was een man van formaat, die geroemd wordt „zowel om zijn karakter, zijn liefde voor de godsdienst, de armen en alle vromen van harte, als om het goed beleid, waarmee hij de Kerkelijke belangen van het Sticht voorstond." Ook maakte hij een einde aan de terreur der roofridders, die een kruis waren voor de koophandel.

Tot de roofridders behoorde o.m. Evert van Essen, heer van Eerde bij Den Ham, die een ware plaag was voor de handelaars der bloeiende IJselsteden. Hij maakte de wegen, welke van Deventer en Zwolle door Salland en Twente naar Duitsland leidden, onveilig, beroofde de kooplieden van geld en goed en sloeg geen acht op de vermaningen van zijn landsheer, de bisschop, die hij in z'n onneembaar geacht kasteel meende straffeloos te kunnen trotseren.

……………………………………

(deze delen uit het artikel zijn nodig om het volgende deel in zijn verband te kunnen plaatsen)

…………………………………

Ook de Schuilenburg verwoest

Na Eerde kregen andere roofburchten 'n beurt. In hetzelfde jaar 1380 gingen de kastelen Azoelen, Lage en Garner in vlammen op. Zweder van Schuilenburg, die vermoedelijk met Evert van Essen had samen gespannen, moest het volgende jaar zijn euveldaden boeten met de verwoesting van zijn burcht aan de Regge bij Hellendoorn. We hebben het kasteel Schuilenburg vroeger reeds ontmoet, toen we het hadden over de oorlog tussen keizer Hendrik V en hertog Lotharius van Saksen in 1125. Het kasteel lag aan de oude Twentse weg (van Zwolle naar Twente), die zich bij Wierden verenigde met de weg van Deventer naar ons gewest. De Twentse weg liep niet over het tegenwoordige Nijverdal, maar langs het dorp Hellendoorn.

Waar de Twentse weg de Regge sneed, stond de Schuilenburg, aan drie zijden door deze rivier en strengen daarvan beschermd en aan de westzijde door een sterk bruggenhoofd. Het eigenlijke slot was 20 el lang, 171/ 2 el breed en had een gracht van 6 el breedte. Binnen de gracht was een ringmuur ter dikte van een el, die ruim 1% el verwijderd was van het gebouw, waardoor een gang rondom het slot ontstond, waar de verdedigers tijdens 'n belegering plaats namen, gedekt tegen de pijlen en spiesen van de belegeraars. Ook moet het kasteel twee ronde torens hebben gehad. Na zijn verwoesting in 1381 is de Schuilenburg weer opgebouwd, in welk jaar is echter niet bekend. In 1523 legde Karel van Gelder bezetting in de burcht. Zij deelde het lot van vele andere kastelen, raakte in verval en werd een ruïne; in 1840 zijn de fundamenten uitgegraven om benut te worden bij de aanleg van de weg Ommen – Zwolle.

 

         1958-08-25 > Schenking delen Schuilenburg en Eelerberg aan de Staat (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant)

 

„Eelerberg” en „Schuilenburg” gedeeltelijk aan de Staat

Prachtig recreatieterrein onder Hellendoorn

 

Dank zij de medewerking van professor dr ir F. A. Vening Meinesz is de staat er in geslaagd, tegen 1/5 deel van de geschatte waarde in het bezit te komen vaneen gedeelte van de landgoederen „Eelerberg” en „Schuilenburg”, groot ongeveer 264 ha en gelegen onder Hellendoorn. Met deze aankoop van bezittingen van de familie Vening Meinesz zijnde staatsdomeinen uitgebreid met een uitgestrekt, aan natuurschoon rijk recreatieterrein.

Het landgoed „Eelerberg” is een van de fraaiste landgoederen van Overijssel. Het door de staat verworven gedeelte ligt grotendeels op de Noordelijke uitlopers van de Hellendoornseberg en dus nabij de bestaande staatsboswachterij „Haarle”, die op de aangrenzende Haarlerberg ligt.

Het gehele bezit is pl.m. honderd jaar geleden ontstaan door bebossing van heidegronden. Uit die tijd dateren nog de oudste grove dennenbossen, welke thans nog op de Westelijke helling van de heuvelrug aanwezig zijn. Deze honderdjarige dennenbossen zijn rijkelijk gemengd met douglas, fijnspar, beuk en tamme kastanje.

Het terrein rondom de eigenlijke „Eelerberg” is sterk geaccidenteerd en biedt op verschillende punten prachtige vergezichten. Het hoogste punt van het nieuwe staatsbezit is bijna 40 meter boven NAP. Hier bevindt zich een houten uitzichttoren ter hoogte van 20 meter. De bossen van de Eelerberg zijn voorts van grote betekenis voor het volkssanatorium in Hellendoorn, dat slechts een kleine oppervlakte bos bezit. De terreinen van het sanatorium grenzen onmiddellijk aan de bossen van de Eelerberg.

 

         1958-11-15 > Slopershamer maakte einde aan eens zo trotse burcht Schuilenburg

 

Door G J. ESHUIS

Huis ter Molen (later Schuilenburg) middeleeuws tolhuis aan de Regge

Slopershamer maakte einde aan eens zo trotse burcht

 

MAAR WEINIGEN die via de houtrijke buurtschap Marle met zijn sfeervolle rietgedekte hoeven. de moderne verkeersbrug over de Regge de weg naar Hellendoorn passeren, zullen zich kunnen realiseren, dat achter de rustieke bongerd links, waar de weg met een scherpe hoek omheen buigt, eens een machtige roof-burcht was gelegen. Geen wonder, de situatie heelt zich hier in een tijdsverloop van ruim twee eeuwen zeer ingrijpend gewijzigd. Waar weleer zware muren en plompe torens oprezen uit diepe grachten, vinden we nu enkel een vlak stuk groenland, waar slechts een nauwelijks bodem ons deze aan historie zo rijke plek nog poogt aan te wijzen.

 

Aan weg en water

Van de ongeveer twintig burchten, die eertijds tot de Reggelinie gerekend mochten worde heeft Huis ter Molen (later Schuilenburg) worden, zeker wel het meest geschiedenis gemaakt. Zijn ligging aan de Regge, ter plaatse waar deze een natuurlijke omvloed vormde en met de oude Twentse weg een kruising maakte, was voor een middeleeuws kasteel dan ook bijzonder gunstig. Dat dit helaas ook zijn schaduwzijden had, blijkt wel uit het verloop der geschiedenis van deze burcht. De vermelding in een 12de eeuws kroniek, dat Schuilenburg reeds wordt genoemd in het jaar 1125, kan echter moeilijk betrekking hebben op huis Schuilenburg aan de Regge, aangezien dit oudtijds (naar de hier aanwezige watermolen) „Huis ter Molen" heette. De omstandigheid dat er meer Schuilenburgers hebben bestaan, (o.a. Schuilenburg ten noorden van de Stad Neuenhaus in de Neder-graafschap Bentheim en Schuilenburg aan de Oude IJssel onder Wisch) bij sommige geschiedschrijvers enige verwarring te hebben gesticht. De oudste bekende oorkonde (archief Rechteren), die ons Iets vertelt over het einde van dit Huis ter Molen (later Schuilenburg), is een acte van 18 mei 1339. Hierin erkent Johan van der Molen verkocht te hebben aan Johan van Almelo, het Huis ter Molen met „het recht om zwanen te houden van den Nijverbrugghen tot „Duvelskote" (Duivekate), benevens het recht van de wind en de molen gelegen in de buurtschap van Elen en het kerspel van Hellendoorn.

 

Verwoest

Toen bisschop Floris van Wevelinckhovcn op aandringen van de drie grote steden: Deventer, Kampen en Zwolle, in 1380 een strafexpeditie uitrustte tegen de roofsloten in Overijssel, was Eerde het eerst aan de beurt, Nog in hetzelfde jaar volgden Azoelen en Gerner bij Dalfsen, Huize het Laar bij Ommen koos nog tijdig „eieren voor zijn geld" en verklaarde zijn burcht tot een open huis voor de bisschop.

Bij een volgende expeditie (in 1381) slaat de bisschop het beleg voor Huis ter Molen. Hoelang de belegering heeft geduurd vinden we niet vermeld. Na de overgave echter wordt ook Huis ter Molen, evenals een jaar daarvoor Eerde, met de grond gelijk gemaakt.

 

De naam Schuilenburg

Huis ter Molen blijkt na zijn nogal vrij spoedig weer te zijn herbouwd. In een oorkonde van 2 november 1395 komen we voor het eerst de naam Sculenborch tegen in verband met Huis ter Molen. Met deze akte erkent Elyger van Hekeren, dat Zweder van Sculenborch hem heeft vergoed de kosten van gevangenschap en schade, toen hij door Derck van Hameren was gevangen genomen en belooft Zweder als zijn hoofdheer te erkennen van de goederen ter Möllen, den hof te Hulsen en den hof te Kruisebergen. Deze Zweder wordt reeds eerder genoemd in een oorkonde van 18 april 1378 als zijnde gehuwd met Hadewich Vermoedelijk was deze Hadewich een dochter van één der Van Rechterens en heeft ze Huis ter Molen geërfd. Vooreerst blijft echter de naam Ter Möllen of Ter Molen nog de meest gangbare voor dit kasteel. Symon. van Sculenborgh, een zoon van bovengenoemde Zweder, vermeerdert in 1418 zijn bezittingen door aankoop van het Huis Katenhorst, dat schuin tegenover Huis ter Molen aan de andere zijde der Regge lag.

In het jaar 1443 huwt Derick van Schuilenburg (zoon van bovengenoemde Symon) met Henriek van Kuenre. Deze Dirick heeft door verschillende aankopen, w.o. de hof te Marle, de Schuilenburgse bezittingen het meest uitgebreid.

Ook voor de kerk heeft hij veel gedaan. Zijn oudste zoon Symon. die hem zou opvolgen (de andere zoon bleef, kanunnik zijnde, ongehuwd) sterft september 1487 op de terugreis van een pelgrimstocht naar Jeruzalem. Van de beide dochters gaat er één in een klooster, de ander huwt met Sweder van de Boetseler, Ridder. Na de Van Boetselers komt de Schuilenburg in het geslacht der Van Kettelers. Door verkoop gaat het goed in 1644 over aan de familie Van Raesfelt van Twickel. Werd tot hiertoe de naam Ter Molen zo nu en dan nog eens gebruikt, na bovengenoemd jaar komt ze in de oorkonden, niet meer voor. Omstreeks 1689 komt de Schuilenburg door huwelijk in het geslacht Van Rechteren, in welks handen het tot 1854 blijft. Daarna komt het goed nu weer door verkoop, aan de heer Thomas Wilson, die het in 1883 verkoopt aan mr. Sjoerd Anne Vening Meinesz. Thans behoort het grootste deel van de Schuilenburg, onder de huisplaats van het vroegere kasteel, aan mevrouw Cornelia Jacoba Vening Meinesz, wed. van mr. Jan Constant van Marle,

-------------------------------------------

Tekening Schuilenburg 1381 door Eshuis op basis van Van BijlandtLegende voor plattegrond Schuilenburg (Ter Molen).

1, Voorburcht,

2. grachten,

3. grote verdedigingstoren, welke de Regge beheerste,

4. kleine toren,

5. gevangenis,

6. waterput,

7. onderaardse gang,

8. dam tussen gracht en Regge.

 

Onderaardse gang

Wanneer het kasteel is afgebroken niet precies bekend, doch zeer waarschijnlijk al voor het einde van de 18e eeuw. In maart 1810 zijn de fundamenten uitgegraven om het hierbij vrij. komende puin te benutten bij de aanleg van de kunstweg Ommen-Zwolle. Men heeft toen van de gelegenheid gebruik gemaakt en het vroegere grondplan van deze oude burcht in kaart gebracht.

Bij deze opgraving kwamen nog een onderaardse gang aan het licht. Naar de volksoverlevering verluidde zou deze gang indertijd onder de Regge door naar het er schuin tegenover liggende huis Catenhorst (dat in het laatste kwart van de 18de eeuw werd afgebroken) hebben gelopen. Het bleek echter, dat deze gang zich vanaf de buiten. gracht, waar deze met een muur opgetrokken was, boogsgewijze tot aan de Regge uitstrekte.

Waarschijnlijk heeft ze vroeger haar uitmonding had achter de stuw (wat vroeger verder stroomopwaarts lag), om bij het op peil houden van de grachten van de hogere waterstand boven deze stuw te kunnen profiteren.

 

Oorlogsweeën

Als één der sterkste kastelen in Overijssel heeft Schuilenburg en, zijn omwonende bevolking (en deze zeker wel het meest) van diverse oorlogshandelingen dan ook ruimschoots zijn (hun) deel gehad.

Na een betrekkelijk rustige tijd sinds de opbouw van Huis ter Molen na zijn verwoesting in 1381, wordt het in 1525 bezet door de krijgsmacht van hertog Karel van Gelder. In de Spaanse tijd was het beurtelings in handen van de vijand en die der Staatsen. De ellende begon al in 1580 met de confiscatie en annotatie van de roerende en onroerende goederen van aanhangers van de Prins van Oranje, Na enige tijd in het bezit te zijn geweest van de Spanjaarden, bomt het 15 maart 1584 weer in handen van de generaliteit, doch augustus 1585 was Schuilenburg en ook Rhaan en Rechteren (Dalfsen) weer door de Spanjaarden heroverd.

Het was toen voor de omwonende “meyerlieden" een kwade tijd. Waren ze van Staatse zijde door Joachim Pruyst met zijne bende vrijbuiters al danig uitgeplunderd, nu werden ze ook nog gedwongen aan de door stadhouder Verdugo uitgezonden ontvanger de tienden te betalen.

 

Griezelige vondsten

Wanneer de ontvanger naar Schuilenburg toog, werd zijn aankomst aldaar bij “kerckespraeke" bekend gemaakt. Er kwam echter niemand opdagen als enkel “dieghene soe onder den huize en daeromtrent geseten" (die dicht om de Schuilenburg woonden). Om de schrik er in te krijgen, liet de ontvanger toen door zijn „dieners”, geassisteerd door enige soldaten, enkele boeren opsluiten.

Pas toen er twee van deze „in des provoistes yseren gestorven waren" kon hij wat binnen krijgen.

't Gebeurde ook meermalen, dat de soldaten de “diener” in de steek lieten en zelf op buit uitgingen.

Het werd op deze manier voor de ontvanger op den duur toch te „besweerlyck". In de tijd van acht maanden waren Ina oktober 1585) „op 't huis Schuylenborch alleenlijk in de behartinge van den provoost gestorven en verdorven an 'd acht- und twintich personen, soe mans, vrouwen als kinderen". Om deze „velfeldige en besweerlycke” reden heeft de ontvanger nadien een moeite of kosten meer gedaan de vorderingen binnen te krijgen, lezen we in de annalen uit die tijd. In het licht van deze geschiedenis is het niet verwonderlijk, dat om huis Schuilenburg. meermalen menselijke skeletten in de grond zijn gevonden.

 

Wolven hadden vrij spel

't Is alleszins begrijpelijk, dat onder de druk van zo'n onzekere tijd het platteland grotendeels was ontvolkt en alzo menige hoeve „woest en ledig" lag.

De wolf, waarop men, als zonde in die tijd nog het enige door mens en vee gevreesde roofdier, al enkele eeuwen jacht maakte, kreeg nu weer een kans zich ongehinderd te kunnen vermenigvuldigen.

Volgens een mededeling in oude markeboeken hadden ze zich bij Lambert Noordinck (in 1618) genesteld (in het schaapschot en dit zodanig beschadigd, dat een geheel nieuw schot gebouwd moest worden. Ook gaat er nog een legende dat de bewoners van een hoeve die geruime tijd verlaten was geweest bij hun terugkeer een nest wolven in de bedstede aantroffen.

 

Roemloos einde

Na de Spaanse tijd hebben er om huis Schuilenburg geen oorlogshandelingen van betekenis meer plaats gevonden. Wel was het na afloop van deze langdurige krijg toe aan een algehele restauratie.

Helaas hebben de toen uitgevoerde herstelwerkzaamheden het voortbestaan van dit historische kasteel slechts met ruim een eeuw kunnen verlengen. De slopershamer bracht ook voor deze eens zo trotse burcht een roemloos einde.

 

         1958-??-?? > De watermolen(s) van Schuilenburg

 

Door G.J. ESHUIS

Rutgers an'n kolk nabij Schuilenburg

De voormalige schippersherberg „Rutgers an'n Kolk". Ettelijke vaatjes bier en kannen jenever zijn hier de loop der eeuwen ten behoeve van schippers en wegreizigers, uitgetapt. De schoonvader van de tegenwoordige bewoner tevens brugwachter, Achter zware eik rechts was vroeger de haven en aanlegplaats.

 

Heeft Huis ter Molen (het latere Schuilenburg) een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis, zijn naamgeefster, de watermolen is de eeuwen door, voor de elkaar opvolgende provinciale bestuursorganen, het zorgenkind geweest in de waterhuishouding van de Regge.

 

Middeleeuwse energiebron

Als we de vraag stellen; wat was er eerder, het kasteel of de molen , zouden we misschien zoiets als het “kip en ei”-probleem opwerpen. De watermolen is onbetwist een ouder krachtbron dan zijn collega de windmolen. Ofschoon de Romeinen de watermolen reeds kenden (ze moet omstreeks de eerste eeuw voor Christus ergens in Azië zijn uitgevonden) wisten deze haar schijnbaar toch niet rendabel te maken. Er moesten nog eerst enkele eeuwen voorbij gaan alvorens ze tot een economische krachtbron was ontwikkeld. Volgens zekere historici zou hiervan de eer toekomen aan de Arabieren, die ook de windmolen (eveneens een vinding uit de Aziatische landen) systematisch tot verdere ontwikkeling brachten. Door de kruisvaarders zouden deze vindingen naar Europa zijn overgebracht.

Vooral in het noorden, waar de beken en rivieren vrijwel steeds water hadden, was ze in de middeleeuwen lange tijd de voornaamste energiebron.

 

Olie- en graanmolen

Wanneer de Schuilenburger molen is gesticht, zal wel niet of althans zeer moeilijk meer zijn vast te stellen. Als „naamgeefster" aan het vroegere „Ter Molen" moet haar stichtingsdatum welhaast met die van het huis parallel lopen, of zelfs nog daarvoor liggen.

De oudst bekende oorkonde, waarin deze molen rechtstreeks wordt genoemd dateert van, 16 maart 1423. Hierbij oorkondt Frederic Bisschop van Utrecht, dat Symon van den Schulenborch zijn vrouw Derie tot douaire vermaakt den ter Molen met den water- en oliemolen, gelegen in het kerspel Hellendoren in de buurtschap Elen".

In het jaar 1442 krijgt Symon van Schuylenborch van de gemene erfgenamen der Dame marcke het eigendomsbewijs van de Molenberg in Elen (met de windmolen). Frederic Bisschop van Utrech „dat Symon van den Schulenborch zijn vrouw Deric tot douaire vermaakt den Hof ter Molen met den water- en oliemolen, gelegen in het kerspel Hellendoren in de buurtschap Elen".

In het jaar 1442 krijgt Symon van Schuylenborch van de gemene erfgenamen der Dammarcke het eigendomsbewijs van de Molenberg in Elen (met de windmolen).

De 21e april 1457 wordt „Derick van den Schulenborch op Spolderberch door David van Boergoengen, bisschop te Utrecht, beleend met het erf ter Mollen, gelegen in het gericht van Helendoern" met de daarbij behorende watermolen benevens het windrecht, Deze windmolen die dus voor de overdracht in 1442 nog in eigendom was van de erfgenamen der Dammarcke (een tweeschichtige marke) zal waarschijnlijk uitsluitend hebben gediend als graanmolen. De watermolen echter was een koren- en oliemolen, zoals blijkt uit een oorkonde van 1548 waarin enkele hoogbejaarde personen verklaren „dat vroeger de afsluitbomen bij het huis ter Möllen, aan weerszijden van de Molenstal, de ene bij de olie-, de andere bij de zaadmolen, des avonds gewoonlijk werden gesloten".

Waarom werden deze bomen des avonds gesloten? Deden ze dienst als tolbomen? Of was het voor de veiligheid van late reizigers? Volgens overlevering zouden hier al ettelijke personen door de duisternis misleid, te water geraakt en verdronken zijn.

 

Zompen door de Molenstal

We kunnen ons uit bovenstaande nu al enigszins een voorstelling maken hoe de situatie hier ter plaatse er vroeger uitzag. Dit beeld wordt nog een beetje helderder als we het verslag lezen van een ooggetuige uit het jaar 1846 (toen de molen nog bestond) die ons hierover het volgende vertelt:

„Over den linkerarm (van de Regge) of Molenbeek, ligt de vaste Molenbrug met stenen landhoofden en vloer, door eene molenstuw afgesloten. De middenste opening van deze stuw door losse stijlen in drie vakken afgedeeld, die door gewone molenschutten worden gesleten. Bij herstellingen aan de stuw van de Schuilenburg (in de Regge) kunnen de schepen (zompen) met gestreken mast door deze middenste opening varen, waarbij het echter nodig is de beek eerst benedenwaarts af te dammen, daar de vloer der Molenbrug 0.69 el hoger ligt dan die van de stuw in de rivier".

 

Stuw was zorgenkind

Langer dan vier eeuwen is deze watermolen, of duidelijker gezegd, de voor deze molen onmisbare stuw, voor de elkaar opvolgende provinciale bestuursorganen het zorgenkind geweest in de waterhuishouding van dc Regge. Bracht de bevloeiing van de groenlanden door de Regge gedurende de winter, deze altijd nog enig goeds, door het vruchtbare slip dat ze achterliet. In voorjaar en zomer kon ze de gras- en hooioogst soms geheel doen mislukken, Ofschoon Rijssen, evenals de geërfden uit de Gelderse marke Lochuizen ten opzichte van de Markvelder watermolen, het recht had op 1 april de schutten van de Schuilenburger watermolen weg te laten halen (ze mochten dan pas 14 september weer geplaatst worden) schijnt hier toch zo goed als geen gebruik van te zijn gemaakt. Mogelijk werd ook hier dezelfde regeling getroffen als door de geërfden van Lochuizen met de mulder van de Markvelder molen, aan wie de schutten tegen betaling van een zeker bedrag weer teruggegeven werden, echter onder beding, dat al ware het ook dat een kind uit Lochuizen de boodschap bracht", de mulder onmiddellijk de schutten zou optrekken.

Of het nu met de Schuilenburger mulder „kwaad kerseneten" is geweest, of dat het gezegde van de „grote honden die elkaar niet willen bijten" hier toepasselijk was, willen we hier niet beoordelen, Wel is het een feit dat er bij de mulder van huis Schuilenburg (en als men daar geen gehoor vond, bij hogere instanties) voortdurend klachten binnenkwamen van de bovenstrooms gelegen ingelanden (tot aan Enter toe) over het te hoog of te langdurig opstuwen van het Reggewater.

 

Schippers contra molenaar

Zeker als een gevolg van deze klachten laat in december 1471 Harmen Kloppman, richter te Hellendoorn op verzoek van Dirick van Schulenborch enige bejaarde personen getuigenis afleggen "Over de watermolen en schutstal op dg Regge of A*). Deze schutstal vroeger een weinig boven het woonhuis ter Nolen lag en door wijlen Symon van de Schuilenborch (1449 U) omtrent een boogschot lager opnieuw was aangelegd, alsmede dat zij van hun ouders gehoord hadden, dat deze schutstal er zolang hun bekend was, altijd was geweest". Of met het verleggen van de schutstal (stuw) ook de molen is verplaatst weten we niet. Wel moet toen beneden het huis een nieuwe zijtak uit de Regge zijn gegraven. Deze latere stuw bevond zich ongeveer ter plaatse van de tegenwoordige brug. Beneden deze stuw was vroeger een brede en diepe kolk, die de schippers als haven en aanlegplaats diende. De klachten over het te hoog opstuwen van het water bleven echter aanhouden. Om deze te ontzenuwen moeten enige timmerlieden op verzoek van Johan van de Boetseler (toen eigenaar van de Schuilenburg) op 20 juni 1546 voor Everwijn Vüneke, richter te Hellendoorn, de verklaring afleggen, dat de nieuwe stuw bij Huis ter Molen één vingerbreed lager is dan de oude. Enige jaren later (22 juni 1550) heeft Johan van de Boetseler een geschil met de burgers van Almelo over het doorvaren door de schutstal bij Ter Möllen. Door enkele arbiters, waaronder de burgemeester van Zwolle, worden bepalingen vastgesteld, opdat het schutten zo weinig mogelijk bezwaar zal opleveren voor het molenbedrijf.

Vermoedelijk liet men nadien de schippers wel eens te lang wachten, want uit een oorkonde van 23 december 1555 beluisteren we de klacht, dat de schippers zich nogal eens eigenmachtigheden veroorloven bij het doorvaren van de schutstal en ook dat de molenaar de schippers vaak pas tegen betaling en drinkgeld doorliet.

 

Processen aan de lopende band

Ondanks alle toezeggingen, reglementen en bepalingen in de loop der eeuwen gedaan en opgesteld, schijnt er in de toestand weinig verandering te zijn gekomen, zodat de bovenstrooms gelegen ingelanden tegen het opstuwen van het Reggewater ten behoeve van de Schuilenburger molen, voortdurend in de oppositie zijn gebleven.

De 7e juli van het jaar 1621 konden deze opposanten eindelijk eens een succes boeken, want toen werd bij resolutie van de Staten van Overijssel de mulder van Schuilenburg aangezegd, de schutten onmiddellijk op te trekken en het water in zoverre weg te laten lopen, dat de landen daarboven „niet worden geinundeerd ofte verdroncken".

Toch waren hiermee de klachten en processen tegen de mulder van Schuilenburg niet van de baan. Zo lezen we in het markeboek van Enter in het verslag van de op 25 juni 1663 gehouden „holting" o.m. dat „'t Geïntendeerde proces tegen den mulder van Schoulenberch wegens 't opstuwen van 't water zal worden vervolgd".

Ruim twaalf jaar later, op de holting van 19 november 1675, komt o.m. aan de orde het verzoek van procurator Ter Keurst, om betaling in 't proces tegen den mulder op Schuilenburg, „'t Zal in orde komen", staat er lakoniek bij vermeld, Of het proces nu zolang heeft (weten we niet?> deel van de tekst ontbreekt)

 

         1983-08-30 > Schuilenburg was eens Overijssels sterkste burcht: Interview Hendriks Boers sr.

 

De Schuilenburg was eens Overijssels sterkste burcht

Hendriks Boers sr. op Schuilenburg

Schuilenburg-bewoner Hendrik Boers bij de plek waar eens Overijssels sterkste burcht stond. In zijn handen heeft hij enkele resten van het bouwwerk.

 

Langs de Regge, tussen Hellendoorn en Den Ham, stond eens de sterkste burcht van Overijssel, De Schuilenburg. Nu is de oprijlaan een provinciale weg, de plek waar het slot eens stond, een hooggelegen weiland met wat vruchtbomen en hoge kastanjes en het restant gracht dat bewaard bleef, ligt droog. Meer het Bouwhuis, de mooie in 1727 bij het kasteel gebouwde boerderij is nog in tact. Wanneer De Schuilenburg precies is afgebroken is niet bekend: In 1743 stond ze er nog, in 1840 was het bouwwerk in elk geval verdwenen.

Alleen van de voorburg was toen nog puin over en in maart van dat jaar werd de fundering opgegraven, om als verharding te worden gebruikt in de nieuwe weg van Ommen naar Zwolle. Toen zijn tevens opmetingen verricht en enkele vondsten gedaan. Zo kwamen een uit steen vervaardigd hoofd van een vrouwenbeeld en een zonnewijzer tevoorschijn die in het bezit zijn gekomen van Jan ter Horst uit Rijssen. Een wegenbouwer en steenfabrikant die later met z’n verdiende geld een textielfabriek begon en jute koffiezakken ging vervaardigen. De juteweverijen in Rijssen bestaan nog steeds. De naam Schuilenburg heef in oudheidkundige kringen in het verleden veel verwarring teweeg gebracht. Zo blijkt uit oude stukken dat poorten en balken Van de Schuilenburg in 1227 zijn gebruikt voor de bouw van het bisschoppelijk kasteel in Hardenberg. Maar de Hellendoornse burcht heette oorspronkelijk Ter Molen. Pas na de laatste oorlog maakte de Almelose onderzoeker G. J. Eshuis aan de onzekerheid een einde. Hij vond tussen Almelo en Wierden de plek waar de eerste Schuilenburg heeft gestaan.

Het onderzoek dat in 1840 bij het verwijderen van de fundering werd verricht, bracht aan het licht dat de ringmuur binnen de gracht 60 cm dik moet zijn geweest. Tussen het hoofdgebouw en de muur was een smalle gang. Ingeheide palen wezen op de vroegere aanwezigheid van twee torens De bouwplaats besloeg ruim een kwart hectare. Ook werd. een onderaardse gang ontdekt die op de oever van de Regge uitkwam. Ze is vermoedelijk gebruikt om de grachten van water te voorzien en kon worden afgesloten bij lage waterstanden in de rivier. Het huis Ter Molen wordt in officiële stukken voor het eerst op 18 mei 1339 vermeld, maar heeft zonder twijfel langer bestaan. Als eerste eigenaar Wordt het geslacht Van Almelo genoemd, maar reeds in 1378 komen de Schuilenburgs, afkomstig van het gelijknamige kasteel in Wisch (Gelderse Achterhoek) door huwelijk in bezit van de burcht. In 1381 werd het kasteel Ter Molen verwoest, toen de bewoner in conflict kwam met de bisschop van Utrecht, die twee van zijn dienaren had laten ophangen. Wanneer Huis Ter Molen precies is herbouwd, is niet bekend, maar in elk geval maakte in 1505 het geslacht Schuilenburg als bewoner plaats voor de Van Boetzelaers. Het zou nog tot het begin van de 17e eeuw duren, voor de naam Schuilenburg officieel die van Huis Ter Molen verving.

In de volgende eeuwen volgden bewoners en bezetters elkaar op. Gelderse troepen namen het slot in, tijdens de tachtigjarige oorlog streden Staatsen en Spanjaarden beurtelings met succes om het bezit en na de Van Boetzelaers, kwamen Van Kettelers en vervolgens maakte Van Raesfelt van Twickel er zijn opwachting. Van 1682 tot 1854 bezat het geslacht Van Rechteren de Schuilenburg en in die periode werden de beide bouwhuizen vernieuwd, maar het kasteel afgebroken. In 1732 kon Andries Schoemaeker de machtige burcht nog tekenen, in 1840 was ze verdwenen en is haar laatste puin gebruikt voor wegverharding. Het landgoed kwam in handen van een zekere Thomas Wilson en precies honderd jaar geleden werd mr. Sjoerd Anne Vening Meinesz, tweede kamerlid, burgemeester van Rotterdam en later van Amsterdam, de Die familie bezit het schilderachtige plekje aan de Regge - even voor de brug in de weg Hellendoorn-Den Ham over dit riviertje - nu nog.

De watermolen die eens bij het kasteel stond. langs een aftakking van de Regge - De Molenbeek - is ongeveer tegelijk met de burcht, rond 1800, ten grond gegaan. Die watermolen is nogal eens de inzet geweest van spanningen tussen de Heer van de Schuilenburg en de steden. De molenaar had mogelijkheid het water bovenstrooms op te stuwen via een schutstal om voldoende stroom voor het draaiend houden van het watermolenrad te hebben. Niet alleen veroorzaakte dat wateroverlast, ook werd de scheepvaart er door belemmerd.

Na veel geruzie werd tenslotte van hogerhand bepaald dat de molenaar alleen tussen 17 september en april mocht schutten.

Nu stroomt de Regge daar nog langs een oude boerderij, een historische plek, een mooi stuk natuur met dikke kastanje- en eikebomen en vlak langs de rivier ruisen de populieren. Alleen die bomen hebben het kasteel de Schuilenburg nog gekend.

 

         1983-09-06 > Ingezonden brief over Schuilenburg

 

Burcht Schuilenburg al in 1660 verdwenen

In de krant van dinsdag stonden in het verhaal over kasteel Schuilenburg bij Hellendoorn enkele onjuistheden.

De „machtige burcht", die er in 1732 volgens een tekening van Andries Schoemaeker gestaan zou hebben, is een achterhaald verzinsel. Medewerkers van het prentenkabinet van het Rijksarchief in Zwolle hebben vastgesteld dat de tekening niet door Schoemaeker is gemaakt. En ook niet in het genoemde jaar.

Uit diezelfde tijd immers is bewaard gebleven een tekening van hetzelfde Schuilenburg, door Cornel.is Pronk, een van de betrouwbaarste topografische tekenaars van zijn tijd. De tekening van Pronk toont een eenvoudig, twee verdiepingen tellend huis, zonder enige toren of ander vestingwerk. De oude burcht is al omstreeks 1660 verdwenen!

Ook het onderzoek in 1840 (door de graaf Van Bijlandt) is nogal omstreden. In een vorig jaar verschenen boek van A. Ponsteen (uitgegeven door de stichting Oald Heldern, te Hellendoorn) komen deze zaken aan de orde.

Het is jammer dat de auteur van het kranteartikel zich niet gebaseerd op deze, uitstekende studie, maar blijkbaar geput heeft uit gegevens die voormalige eigenaars van het landgoed, ter meerdere eigen glorie, uit hun duim zogen

Met deze brief hoop ik te bereiken, dat A. Ponsteens „De havezathe Schuilenburg en de Reggevallei" de brede belangstelling krijgt waar het mijns inziens recht op heeft. De auteur, die deze week 86 jaar wordt, heeft jarenlang studie gemaakt in archieven (onder meer van het huis Rechteren te Dalfsen) om zoveel mogelijk over Schuilenburg te weten te komen. Jammer als deze informatie onbenut zou blijven.   

 

Zutphen Ite Hamming

 

C.J. Pronk Schuilenburg anno 1733

Zo tekende Cornelis Pronk in de 18e eeuw de Schuilenburg

 

         1993-09-03 > 1e Artikel over plan voor ontwikkeling Schuilenburg: Interview Hendriks Boers jr.

 

Harrie Hendriks Boers met hond Donja

 

Boerderij Bouwhuis tussen Hellendoorn en Marle aan Sallandroute. Geen museum maar complex met historie

 

HELLENDOORN, Aan de rechter kant van de weg op de weg van Hellendoorn naar Marle, ter hoogte van een T-splitsing ligt de oude boerderij (18e eeuw) Bouwhuis. Onder 'bouwhuis' werd vroeger een bijgebouw (woningen van het personeel' stallen hebben het boerencomplex en dergelijke) van een adellijk huis verstaan Dit boerderijcomplex, waarvan de daken met riet pannen en laag mos bedekt zijn, behoorde ook dit tot het bezit van het kasteel Schuilenburg en werd als zodanig tot de bouwhuizen gerekend', aldus de informatie op de toeristische beschrijving van de Sallandroute.

Ruim kilometer buiten het dorp Hellendoorn, nog juist voor de weg het riviertje de Regge passeert, duikt onverwachts deze prachtige boerenhoeve met onderschoer op. Het achterhuis naar de weg gekeerd. Enkele simpele bordjes aan de gevels van schuur en achterhuis zoals 'Bouwhuis 1727’ en 'Schuilenburg' maken duidelijk dat het om Een complex met historie gaat. Op mijn speurtocht langs de route naar (bijzondere) gewone mensen vroeg ik mij bij het zien van deze boerderij af of het bewoond is en door wie. Of dat het alleen maar een museum is. Bij het VVV en de afdeling Voorlichting van de gemeente Hellendoorn konden ze me slechtst vertellen dat er een familie woont met de achternaam Hendrik Boers. Een naam als een monument passend een bij een boerderij dat ook als monument geboekstaafd staat.

 

Gepakte dozen

Hoe het leven op zo’n boerderij is en dat het wel enigszins verschilt van een gewoon boerdenbedrijf willen de bewoners wel vertellen. Met mijn bezoek ben ik nog juist op tijd want er staan al heel wat dozen gepakt. Het echtpaar verhuist binnen een maand naar een huurhuis in Hellendoorn. Hun oudste zoon en jongste dochter hebben het boerencomplex overgenomen. Het achterhuis wordt door de zoon tot woonhuis verbouwd en de dochter gaat in het voorhuis wonen. Veel toeristen zien het gebouw aan voor een museum en staan dan ook op de meer dan twintig meter lange deel, voor deze bewoners er erg in hebben. Deze bewoners, Herman en Marie Hendrik Boers-Grote Schaarsberg ('een kilometer naam') hebben wel wat moeite met deze, (ongenode) gasten. Het verbaast hen dat veel voorbijgangers het huis voor een museum aanzien. “Dat is nooit bij me opgekomen" zegt de vrouw des huizes. Maar ze denkt dat dat wel het gedrag van sommige ‘bezoekers' verklaart. “Laatst kwam iemand binnen met de vraag de koffie klaar was!"

De naam Hendrik Boers is al sinds 1914 verbonden met deze boerderij. „Mijn Vader heeft het in dat jaar gepacht en ik heb het en weer van hem geleden overgenomen. Ruim vijf jaar gelden hebben we de boerderij met een bunder grond van de familie Vening Meinesz gekocht”, vertelt Herman Hendrik Boers.

 

Monument

De Saksische boerderij staat al achtentwintig jaar op de lijst van Monumentenzorg, juist in de tijd dat het een rijksmonument werd, werden er in het boerenbedrijfsleven, veel vernieuwingen doorgevoerd. Loopstallen en melktanks deden hun intrede. Meegaan met modernisering was voor deze boer niet zo eenvoudig. Een tank plaatsen betekende dat de fokvarkens weg moesten.

Een ander onderkomen voor deze beesten bracht het bedrijf op te hoge kosten. “Volgens de wettelijke voorschriften mochten we de koeien en varkens niet meer onder een kap hebben als daar ook een melktank kwam. En volgens de voorschriften van Monumentenzorg moest alles min of meer in de bestaande schuren ingebouwd worden. Gebouwen erbij zetten mocht nauwelijks. We mochten wel een loopstal bouwen maar die moest helemaal aangepast zijn aan de boerderij, Dat zou allemaal extra werk en extra kosten meebrengen. In de schuur, waar de melktank moest komen, zat nog een zandvloer. Daar moest eerst cement in. Ook weer extra duur.

Toen de eigenaar in 1987 van het bezit af wilde, kocht Hendrik Boers de boerderij met een bunder grond.

Het boeren hield het echtpaar, beiden nu 61 jaar oud, voor gezien. „We hadden hier geen bestaansrecht meer. Je kon niet uitbreiden. Het zijn de consequenties van wonen onder Monumentenzorg. De rest van het land ging over in andere handen.

 

Met de hand

Hendrik Boers ging in de vut. De bunder grond gebruiken ze nog voor hun hobby: Schapen, ganzen, kippen en pony.

Bijna 62 jaar heeft Hendrik Boers hier gewoond en gewerkt. Na de lagere school kwam hij bij zijn vader op de boerderij. „Het werk was toen zwaar. Alle mest moest je met de hand wegkruien. Ook groeven we zelf turf. Tussen de hooitijd en de roggebouw gingen we naar het Wierdense veen om turf te steken." Op hun (overgebleven) grond staan ook de eeuwen oude eiken bomen, die vroeger de oprijlaan van het kasteel Schuilenburg markeerden. Het kasteel is verdwenen alleen kun je aan de grond nog zien dat daar vroeger een behuizing is geweest. En de gracht er nog. Marie Hendrik Boers: “Die bomen wilden we bij het huis houden. Ze passen helemaal bij de sfeer van het huis. Er zitten nog wel kloostermoppen de grond. Allerlei instanties zijn eens wezen kijken, maar het blijkt te duur om deze stenen op te graven. Vaak lopen hier mensen te zoeken, maar er is nooit veel gevonden. Alleen wat loden kogels en een paar munten."

 

Authentiek

Marie komt uit Luttenberg, maar heeft vijfendertig jaar met genoegen gewoond in een streek die op een aantal punten wel wat verschilde van haar geboortestreek, zoals geloof en leefwijze. “Ik vond het mooi wonen hier. Het huis vergt wel heel veel onderhoud. Het is ook wel lastig werken, want je moet steeds het hele huis door. Alle kamers liggen achter elkaar. De keuken, de kamer en de slaapkamers. In sommige vertrekken is de authentieke sfeer bewaard. Dat blijft ook zo als de dochter er gaat wonen, “ze heeft er geen behoefte aan alles te moderniseren.”

 

         1994-06-08 > 2e Artikel over plan voor ontwikkeling Schuilenburg: Toeristisch gebruik resten

 

Toeristisch gebruik resten 'Schuilenburg'

 

NIJVERDAL - De overblijfselen van het kasteel Schuilenburg worden, als het aan eigenaar Hendriks Boers van de nabijgelegen boerderij ligt, toeristisch meer uitgebuit dan nu het geval is. Hendriks Boers wil met onder andere een expositieruimte en een 'petit-café' de aantrekkelijkheid van een bezoekje aan Schuilenburg vergroten.

Ook nu al kunnen de overblijfselen van het voormalige kasteel Schuilenburg zich regelmatig in de belangstelling verheugen van bijvoorbeeld amateurarcheologen en geschiedkundigen. De nabij het terrein woonachtige Hendriks Boers krijgt regelmatig vragen over het kasteel, waarvan slechts de fundamenten resteren. Vanwege die belangstelling heeft Hendriks Boers het plan opgevat Schuilenburg verder te exploiteren. Onder andere door het inrichten van een expositieruimte. Verder is er het plan om een bescheiden café in te richten. Om de plannen van de plannen af te tasten is er inmiddels een stichting opgericht die de haalbaarheid onderzoekt.

Meedenken

Ook de gemeente heeft zich bereid getoond over de plannen mee te denken. Afhankelijk van de voortgang van het onderzoek wordt bepaald in hoeverre de gemeente meewerkt aan de ontwikkeling van het 'recreatief steunpunt'. Onduidelijk nog is of de medewerking uit financiën bestaat, of slechts uit bestuurlijke ondersteuning.

Duidelijk is nu al dat er geen grootschalige recreatie verwacht mag worden. Het college van burgemeester en wethouders wil alleen activiteiten toestaan die ook iets te maken hebben met de cultuur-historische waarde van het terrein. Een plan voor een midgetgolfbaan is daarom al afgewezen.

 

         1994-12-07 > 3e Artikel over plan voor ontwikkeling Schuilenburg: Recreatieplan

 

Recreatieplan Schuilenburg: Regge 300 meter verleggen

NIJVERDAL/HELLENDOORN

 

De rivier de Regge zou er hoogte van Schuilenburg in de gemeente Hellendoorn ongeveer 300 meter verlegd moeten worden. De Regge zou hier weer de oorspronkelijke en natuurlijke bedding moeten krijgen. Dit idee is opgenomen in het recreatieve plan voor het herstel van de historische waarden van het voormalige kasteel Schuilenburg. Over het verleggen van de Regge heeft de gemeente onlangs een verkennend gesprek gehad met het waterschap Regge en Dinkel. “De plannen zijn daar goed ontvangen.” aldus wethouder P.P. Metscher. Hij voegt er overigens aan toe dat over het verleggen van de Regge nog geen enkel besluit is genomen. Voor alle historische en recreatiever plannen verder worden uitgewerkt kunnen worden, zal eerste een bodemonderzoek plaatshebben. Dat onderzoek moet uitwijzen of er ter hoogte van Schuilenburg inderdaad nog resten en/of fundamenten van kasteel in de grond zitten. B en W besloten gisteren voor dat bodemonderzoek 4755 gulden beschikbaar te stellen. Het benodigde bedrag wordt geput uit het subsidiefonds ten behoeve van toerisme. Blijkt uit het onderzoek dat er van het kasteel niets meer terug te vinden is, dan ontvalt wellicht de basis voor het te ontwikkelen recreatieve plan. De plannen zijn bedacht door H. Hendriks Boers aan de Schuilenburgerweg. Het enig zichtbare van het kasteel is het voormalige bouwhuis. Hendriks Boers is van plan om in dat bouwhuis een museumpje in te richten over de historie en de betekenis van het kasteel en omgeving. In het museum zouden restanten, tekeningen, kaarten, attributen en dergelijke tentoongesteld moeten worden. Het waterschap is al enige jaren bezig om de Regge tussen Rijssen en Lemele een meer natuurlijk karakter te geven. Het verleggen van de rivier naar de oude bedding zou passen in de uitvoering van die plannen. “De Regge krijgt op die manier een meer natuurlijke stroom. Om de rivier te kunnen verplaatsen is nog veel overleg nodig”, aldus wethouder Metscher. “Onder meer moet met enkele grondeigenaren gesproken worden over grondruil”. De recreatieve plannen behelzen meer dan alleen de historische waarde van het kasteel Schuilenburg zichtbaar te maken. Ook het recreatieve aspect krijgt flinke aandacht. Zo zou er een toeristische fietsroute langs moeten gaan, komt er een restaurantje en een kinderboerderij.

 

         1995-1 Voorjaar > 4e Artikel over plan voor ontwikkeling Schuilenburg: Eerste aanzet tot plattelandstoerisme in het Reggegebied

 

Eerste aanzet tot plattelandstoerisme in het Reggegebied

 

HELLENDOORN - Steeds meer toeristen wetende weg naar het Reggegebied te vinden. Ze komen af op de natuur, de rust en de ruimte. Maar een gedegen recreatief/toeristische visie voor het gebied tussen het Vechtdal (Ommen) en de Sallandse Heuvelrug ontbreekt. Om het 'plattelandtoerisme' in deze omgeving te bevorderen moet en heel wat werk verzet worden. Want er liggen gunstige kansen, met name de dorpen Den Ham en Hellendoorn en de buurtschappen Hulsen, Marle, Lemele en Lemelerveld.

Dat wordt geconstateerd in de nota 'Recreatief-toeristische visie van de gemeenten Den Ham, Hellendoorn en Ommen hebben op gesteld. De notitie is gemaakt op verzoek van de provincie Overijssel en is bedoeld als bijdrage aan een totaalvisie over het Vecht/Regge-gebied.

In de nota wordt voorgesteld een projectgroep in het leven te roepen, waarin afgevaardigden van de betrokken gemeenten, ondernemers, natuurbeheerders, de landbouwsector en de plaatselijke VVV’s zitting kunnen nemen. Ook wordt eraan gedacht om een extern adviesbureau in de arm te nemen.

Het Reggegebied is een belangrijke schakel tussen het druk bezochte Vechtdal en de Sallandse Heuvelrug. Met het stimuleren Hellendoorn wordt herstel van de van plattelandstoerisme kan de leefbaarheid van de kleine kernen, en het buitengebied versterkt worden. Bovendien heeft het een gunstig effect op het behoud van werkgelegenheid in het landelijk gebied. Uitgangspunt is dat ontwikkeling van recreatie niet mag leiden tot een wezenlijke van het Reggegebied. De gemeenten Den Ham, Hellendoorn en Ommen hebben een inventarisatie gemaakt van de bestaande voorzieningen in het Reggegebied. Zij komen tot de conclusie dat er in het Reggegebied veel cultuur/historische gebouwen zijn, die de moeite waard zijn om bekeken te worden. Genoemd worden onder meer de vele waardevolle boerderijen, molens en de resten van kasteel Schuilenburg en havezathe Mennigjeshave.

Ook de vele natuurgebiedjes en het afwisselende landschap zijn een sterk punt. Het Reggegebied leent zich volgens de nota vooral voor natuurgerichte vormen van recreatie zoals wandelen, vissen, fietsen, paardrijden en kanovaren. Ook is de omgeving uitstekend geschikt voor ‘kamperen bij de boer’.

Om het Reggegebied een toeristische impuls te geven is het nodig dat de drie gemeenten nauwkeurig gaan samenwerken. Er is veel werkte verzetten, want het ge bied heeft ook zwakke punten. Zo laat het aanbod van hotelaccommodatie te wensen over. Bovendien is er een groeiende vraag naar luxe zomerhuisjes, maar is het aanbod beperkt.

Verder moeten de gemeenten het gebied meer als eenheid presenteren. Het is nodig om fiets- en wandelpaden en bewegwijzering meer op elkaar af te stemmen. In de nota worden enkele voorzetten gedaan om het toerisme in het Reggegebied te versterken. Voor Hellendoorn wordt herstel van de oorspronkelijke haven genoemd. Ook' zogenoemde 'kuierroutes' en dorpswandelingen in en tussen de kleine kernen kunnen een bijdrage leveren.

Over de nota, een die voorlopig karakter draagt, wordt gesproken in de Hellendoornse commissie economische zaken, die donderdag plaatsheeft. De vergadering begint om vier uur.

 

         1995-2 Voorjaar > 5e Artikel over plan voor ontwikkeling Schuilenburg: Recreatie in gebied voormalig kasteel

 

Steun voor plan De Schuilenburg

Recreatie in gebied voormalig kasteel

 

HELLENDOORN/NIJVERDAL - Het gebied waar in vroeger jaren kasteel De Schuilenburg heeft gestaan - ten noordoosten van Hellendoorn kan een recreatieve bestemming krijgen. Het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn heeft gisteren in principe besloten te willen meewerken aan de plannen daartoe.

Hoe het recreatiegebiedje er gaat uit zien is nog wel onderwerp van studie van bespreking. Globaal zien de plannen er zo uit dat de nog bestaande boerderij Het Bouwhuis van het voormalige kasteel gedeeltelijk wordt in ingericht als expositieruimte, kinderboerderij en een petit-café. Van daaruit kunnen wandelingen gemaakt wordt, door het fraaie en ongeveer een hectare grote gebied waar het kasteel gestaan heeft.

Het 'oud-kasteel' heeft een roemrucht verleden, maar er staat niet meer van overeind, Het enige dat nog rest Zijn stukken fundering in de grond nabij de uit 1725 daterende boerderij Het Bouwhuis. Het kasteel zelf dateerde al uit de 14e eeuw. Omstreeks 1400 kreeg het de naam De Schuilenburg, toen de naamgeving een vervolg was op een adellijk geslacht met die naam dat er ging wonen.

Kasteel De Schuilenburg lag op een strategische plek nabij de kruising van de oude Hessenweg, de handelsweg naar Duitsland, en de Regge, die in vroegere jaren druk bevaren werd. In de loop der eeuwen geraakte kasteel in verval en de 19e eeuw werden de laatste restanten afgebroken. Het enige dat nog rest is de naam van het gebied en de naam van de weg die er langs loopt,

Het idee om gebied een recreatief karakter te geven is afkomstig van H. Hendriks Boers, bewoner van Het Bouwhuis. Hij liet het college weten altijd ontzettend veel vragen te krijgen van geïnteresseerden over de historie van het kasteel en het gebied. Om het geheel behoeve van de recreatie in te kunnen richten, moet het bestemmingsplan gewijzigd worden. Het gebied heeft nu nog een agrarische bestemming. burgemeester en wethouders hebben toegezegd in principe te willen meewerken om die bestemming te veranderen in 'bedrijfsdoeleinden/recreatief steunpunt'. Wel stellen B en W het op prijs dat er een stichting in het leven wordt, die het geheel van de grond tilt.

De suggestie van de initiatiefnemers om er ook een midgetgolfbaan aan te leggen, kan niet op steun van B en W rekenen. „Dat gaat nou net weer wat te ver", zegt wethouder A.B.J. Timmerhuis.

„Een accommodatie als een midgetgolfbaan lijkt ons daar niet aanvaardbaar, gezien de culturele en historische waarde van het gebied. Je zou dan weer veel te veel publiek trekken dat niet voor het voormalige kasteel maar om te midgetgolfen”.

 

         1995-05-29 > 6e Artikel over plan voor ontwikkeling Schuilenburg: De droom is dat alle resten blootgelegd worden

 

Initiatiefnemers recreatieproject Schuilenburg willen vooral de middeleeuwse sfeer oproepen.

De droom is dat alle resten blootgelegd worden.

Harrie Hendriks Boers en Henk Vermaat bij de uitgegraven muur op Schuilenburg

De droom van Hendriks Boers (voorgrond) en Vermaat is alle overgebleven fundamenten van het kasteel Schuilenburg bloot te leggen. FOTO HENK VOORTMAN

 

HELLENDOORN "De geschiedenis van de Schuilenburg zit vol raadsels en problemen", zo wist een geschiedschrijver jaren gele­ den al te melden. Ook Harry Hendriks Boers, die in de nabijheid van de overblijfselen van het kasteel opgroeide en onderzoek naar de burcht deed, kan de historie van Schuilenburg nauwelijks samenvatten. Amateurarcheoloog Henk Vermaat evenmin. Vermaat en Hendriks Boers hebben het plan opgevat met een toeristisch project bij de resten van Schuilenburg, de sfeer van de middeleeuwen weer op te roepen.

"De Sculenborg. Bolwerk in vrede en oorlog. Eén van de twintig burchten langs de Regge-linie en waarlijk niet de minste", zo is ooit door een geschiedkundige over Schuilenburg opgetekend. "Daar zijn krijgszuchtige plannen beraamd, uitvallen besproken, krijgs- en plundertochten georganiseerd in dat roofnest." De heren historici zijn het daarover in ieder geval eens. Kasteel Schuilenburg was vooral een roversnest. Het is vanwege de interesse in dat kasteel dat Hendriks Boers en Vermaat elkaar hebben leren kennen. Hendriks Boers groeide op in de boerderij 'het Bouwhuis' aan de Schuilenburgerweg. Zijn vader pachtte het bouwwerkje, een rijksmonument dat enkele jaren geleden werd gerestaureerd, ooit nog van de laatste telg uit het geslacht Vening Meinesz, de laatste eigenaren van de havezathe Schuilenburg.

De boerderij ligt een luttele honderd meter van wat er van het ooit beruchte kasteel resteert: brokken steen in de grond waarin een leek nauwelijks de fundamenten zou herkennen van een ooit imposante burcht. Amateurarcheologen hebben in de voorbije jaren echter meer dan alleen stukken steen naar boven weten halen.

Zo ook Vermaat, die met een metaaldetector hele dagen op het voormalige landgoed sleet. Vandaar ook de kennismaking met Hendriks Boers, die een aardig archiefje met documentatie over het kasteel heeft aangelegd. Vermaat werd geraakt door de verschillende versies die over Schuilenburg in de geschiedenis boeken terug zijn te vinden vanuit beider interesse is een plan ontstaan om meer met het kasteel te doen, dan tot nu toe het geval is geweest.

Hendriks Boers en Vermaat willen Schuilenburg toeristisch gaan exploiteren. "De gedachte er achter is om de sfeer, die vroeger om het gehangen moet hebben, te rug te halen" legt Hendriks Boers uit. Hij denkt bijvoorbeeld aan het plaatsen van grote duiventillen die vroeger bij kastelen stonden. Aan de watermolen die altijd bij Schuilenburg heeft gestaan, even­ als een herberg en een tolhuis.

De belangrijkste vraag is hoe het een en ander financieel rond te krijgen is. "Daar kan ik nog geen antwoord op geven", zegt Hendriks Boers. "Het is gewoon een kasteel kwestie van beginnen en dan langzaam uitbouwen. Maar niet met het idee van 'maar beginnen en zien waar het schip strand'.

De gemeente Hellendoorn, die bestuurlijke ondersteuning heeft toegezegd, heeft geopperd een stichting in het leven te roepen. Onbekend is wie er allemaal in die stichting zouden moeten participeren. Want er zijn meer 'kapers' op de kust. De Stichting Johanna van Buren heeft bijvoorbeeld in het verleden eens pogingen ondernomen om het gebied Schuilenburg in haar bezit te krijgen. En de Historische Vereniging Nijverdal schijnt nu ook interesse te tonen.

 

Omvang

Hendriks Boers en Vermaat houden tot nu toe die belangstelling een beetje af. "Onze droom is dat ooit eens alle resten van het kas­ teel blootgelegd worden", zegt het Vermaat. Dan wordt wellicht ook duidelijk welke omvang het. bouwwerk heeft gehad, wanneer tenminste alle fundamenten terug gevonden worden. Want een deel ervan zou gebruikt zijn voor de aanleg van de weg Zwolle-Ommen. Een beginnetje hebben Vermaat en Hendriks Boers al gemaakt. Een stuk van enkele meters fundament is blootgelegd. Dat uiteindelijk alle resten van Schuilenburg opgegraven worden, daar geloven, ze zelf eigenlijk ook niet zo in. Te meer daar dit veel te veel geld zou kosten. "En de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) zou er waarschijnlijk niet zo blij mee zijn. Opgraven kun je maar één keer. En als je het zo laat liggen blijft er niets van over' zegt Vermaat.

"Dat is ook de reden dat we er recreatie bij willen. We willen een recreatieplan opzetten waar het kasteel bij betrokken wordt. We hebben bijvoorbeeld het idee om de omtrekken van Schuilenburg straks met wallen aan te geven. Zodat bezoekers zich in ieder ge­ val een beeld van de afmetingen kunnen vormen", aldus Hendriks Boers.

Hij vindt dat de op te zetten activiteiten in ieder geval iets met de sfeer van een kasteel van doen moeten hebben. Wel een huifkar­ tocht bijvoorbeeld, maar geen midgetgolf. Hendriks Boers wil met een expositieruimte een begin maken, in een schuur bij het Bouwhuis.

Daarin zouden de tot nu toe opgraven voorwerpen tentoongesteld kunnen worden: munten, gespen, kanonskogels, musketkogels. En natuurlijk wat er straks nog uit de grond gehaald wordt. Want Vermaat wil de hulp inroepen van collega-amateurarcheologen om het hele terrein te onderzoeken.

Dat er nog meer te vinden is, daar is hij van overtuigd. Al waren het maar botten: "In de omgeving van de Schulenborg zijn meermalen geraamten in de grond gevonden." Vermaat verwacht echter hele andere zaken aan te treffen. "Weet je wat zo vreemd is", zegt hij. "Dat is dat er tot nu toe alleen nog maar koperen munten zijn aangetroffen.

 

         1995-3 Zomer > 7e Artikel over plan voor ontwikkeling Schuilenburg: Aankoop terrein door gemeente

 

Afbeelding met gebouw, buitenshuis, raam, zwart-wit

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist. 

In oudheidskamer Erve Hofman, gevestigd in een goed bewaard gebleven boerderij uit de vijftiende eeuw, werden vroeger markevergaderingen of holtspraken gehouden. De boerderij is één van de historische trekpleisters van Hellendoorn. Wellicht komt daar in de toekomst de reconstructie van het voormalig kasteel Schuilenburg bij. FOTO CARLO TER ELLEN

 

Resten van Schuilenburg voorlopig veilig

 

HELLENDOORN/NIJVERDAL

De gemeente Hellendoorn wil 46.000 gulden uit haar begrotingspotje 'onvoorzien' halen voor de aankoop van het terrein van het voormalig kasteel Schuilenburg. Daarnaast is de gemeente bereid hand- en spandiensten te verrichten bij oprichting van een stichting, die moet zorgen voor de uitvoer van de plannen. Dit staat in het voorstel dat woensdag door het college van burgemeester en wethouders wordt behandeld.

Met de investering wil de gemeente de grond veilig stellen met daarin de resten van kasteel Schuilenburg. Door het huidige agrarische gebruik van de grond worden de restanten van muren steeds verder beschadigd en door elkaar gegooid. Immers als gevolg van het ploegen treedt erosie op. De grond is in handen van agrariër Rönneboom en deze heeft al aangegeven dat hij bereid is te verkopen.

De aankoop is onderdeel van grootscheepse plannen omtrent het ontwikkelen van een toeristische attractie rond kasteel Schuilenburg: het reconstrueren van het voormalig landgoed. Het ontwikkelen van het kasteelterrein is dan de taak van de gemeente en de kinderboerderij, expositieruimte, horecagelegenheid en kanosteiger komen voor rekening van particulier Hendrik Boers.

Na het besluit van het college zal ook de monumentencommissie zich er eind augustus over buigen. „Vanuit mijn positie als voorzitter van de monumentencommissie sta ik er natuurlijk niet negatief tegenover", zegt de Hellendoornse wethouder Timmerhuis van ruimtelijke ordening, grondzaken en volkshuisvesting. „Vraag blijft natuurlijk echter altijd of er verder een politiek draagvlak voor te vinden valt. Met andere woorden: of er geld voor is. Maar als je iets veilig wilt stellen, dan moet je er ook iets voor doen.” De gemeente hoopt op steun van verschillende instanties, zowel wat betreft het geld als de expertise. Plan is bij het Waardevol Cultuur Landschap een subsidieaanvraag in te dienen voor de grondaankoop en tevens wil de gemeente samenwerken met de Rijksdienst voor Bodemonderzoek (ROB). De ROB heeft met het plan te maken omdat het een meldingsgebied betreft. Als er in een dergelijk gebied iets gebeurt, dan moet dat worden aangegeven bij de dienst. Zorg van de ROB is dat de archeologie zo min mogelijk wordt geschaad, „We willen geen financiële steun steken, in een langlopend project, maar we staan er niet negatief tegenover", aldus Arjan Bosman, assistent provinciaal archeoloog Overijssel van de ROB. „We proberen altijd de financiën bij dit soort projecten uit externe bronnen te halen, zoals projectontwikkelaars en gemeenten. Eén van de mogelijkheden zou kunnen zijn dat de gemeente een opgravingsbevoegdheid gaat geven. Ze mogen dan het graven voor hun eigen rekening nemen, maar daar zijn wel voorwaarden aan verbonden. Ze moeten dan een eigen depot inrichten en zelf een professionele archeoloog in dienst nemen. En dat laatste is heel erg duur, dus niet erg waarschijnlijk. We kennen wel projecten waarbij gebruik wordt gemaakt van een amateurarcheoloog. maar daar zijn we niet altijd even blij mee."

 

Grachten

Wel wil de ROB zeker medewerking verlenen aan een gecombineerd nader onderzoek in samenwerking met het waterschap Regge en Dinkel. De loop van de grachten is door het Regionaal Archeologisch Archiverings Project achterhaald, maar over het middenterrein waarop het kasteel heeft gestaan, is nog niet genoeg bekend. Eind van dit jaar wil het waterschap een begin maken met het afgraven van een deel van de Regge-oever, zodat de oorspronkelijke loop bloot kan worden gelegd. Beide activiteiten zouden mooi te combineren zijn. Het onderzoek moet in het najaar plaatsvinden. In ieder geldt dat wanneer de grond door de gemeente is aangekocht met een WCL-bijdrage, de overblijfselen van het oude kasteel voorlopig veilig zijn gesteld. Daarna kunnen de verschillende partijen in een stichting verder werken aan de uitwerking van de graafmogelijkheden en het reconstructieplan.

 

Dit is het vierde deel in serie over het kasteel Schuilenburg en de plannen om oude tijden te Hellendoorn te doen herleven.

 

         1995-07-22 > 8e Artikel over plan voor ontwikkeling Schuilenburg: Schuilenburg kan interessant park worden

 

Nergens in Nederland zo'n rijkdom aan cultuurhistorische waarden binnen kilometer

Schuilenburg kan interessant park worden

 

HELLENDOORN/NIJVERDAL - Het terrein waar kasteel Schuilenburg nabij Hellendoorn heeft gestaan is van grote cultuurhistorische waarde. Tot die conclusie komt de stichting RAAP (Regionaal Archeologisch Archiverings Project), die begin dit jaar een bodemonderzoek heeft ingesteld. „ Volgens de heer Andrea van de RAAP is er in Nederland geen ander terrein dat een vergelijkbare rijkdom aan cultuurhistorische waarden heeft binnen een straal van één kilometer. Het terrein geeft de regio een bevolkingsgeschiedenis van op z'n minst 700 en mogelijk 900 jaar".

Dat staat te lezen in de ambtelijke voortgangsrapportage van de gemeente Hellendoorn over het toeristisch/recreatief steunpunt Schuilenburg aan de Regge. In de nota wordt aan het college van burgemeester en wethouders voorgesteld geld beschikbaar te stellen voor de benodigde grond aankopen om het project van de grond te krijgen.

De heer Hendriks Boers aan de Schuilenburgerweg woont in een bouwhuis van het niet meer bestaande kasteel Schuilenburg. Hij heeft enige jaren geleden ideeën ontwikkeld om deze historische plek vlak bij de Regge een toeristische en cultuurhistorische invulling te geven. Er zou een expositieruimte moeten komen waarin opgravingen worden tentoongesteld en een overzicht wordt geven van de historie van het kasteel, dat waarschijnlijk al in 12e eeuw is gebouwd en later de 15e eeuw is herbouwd. Het kasteel lag eeuwen geleden op een belangrijke route van wegen en waterwegen tussen Holland het Duitse achterland (de Amsterdam-Hamburg).

 

Positief

Ook poneerde Hendriks Boers ideeën voor het inrichten van een klein restaurant, een kano-aanlegsteiger en kinderboerderij. Vorig jaar stelde de gemeente zich in principe positief op. Wel wilde de gemeente zekerheid dat er in de grond daadwerkelijk nog iets terug te vinden is van het kasteel Schuilenburg.

De bodemonderzoeken die inmiddels hebben plaatsgehad, hebben een schat aan vondsten opgeleverd. Onder anderen de Nijverdaller H. Vermaat heeft heel wat in de bovenste 40 centimeter grond. Musketkogels, lakstempels,

Hendriks Boers heeft een plan ingediend om het terrein Schuilenburg geheel te reconstrueren. Daarbij zouden het vroegere tracé van de Twentseweg, de gracht en Molenbeek, een kademuur van het kasteel, een bouwhuis, watermolens en de bruggen over de gracht en de Molenbeek gereconstrueerd moeten worden. Ook een kano-aanlegsteiger in de Regge zou er moeten komen en mogelijkheden voor natuurontwikkeling rond de teruggevonden kademuren van het kasteel.

„Bij de realisering van dit plan ontstaat op deze locatie een leuk park”, zo wordt vastgesteld de ambtelijke nota voor het college. Indien alles uitgevoerd zou worden, is een bedrag van zo’n drie ton nodig. In de nota wordt gesteld dat alles in één keer realiseren niet mogelijk zal blijken. Maar een investering „die minimaal noodzakelijk is om het steunpunt Schuilenburg aan de Regge een kans te geven tot ontwikkeling te komen” zijn de kosten van de aankoop van de benodigde gronden (92.000 gulden) en de reconstructie van de Twentseweg (15.000 gulden).

Er wordt van uitgegaan dat subsidies van de rijksoverheid ruim de helft van het budget beschikbaar komt. Dat betekent dat de gemeente Hellendoorn 46.000 gulden zou moeten bijdragen. Volgends de nota is dat verantwoord. „Met name het behoud van een stukje gemeentelijk cultureel erfgoed”. In de nota wordt erop gewezen dat de gemeente bij het vaststellen van het bestemmingsplan Buitengebied eerder jaar het gebied Schuilenburg al heeft aangeduid als „recreatief steunpunt”. Het college van B en W buigt zich begin augustus over de kwestie.

 

         1995-07-18 > 9e Artikel over plan voor ontwikkeling Schuilenburg: Bal ligt nu in hoek Hellendoorn gemeente

 

Henk Vermaat met bijl bij expositie.

Henk Vermaat met een gevonden voorwerp: een bijl met daarin een stempel van de huissmid van Schuilenburg. FOTO VINCENT WILKE

 

Opgraving voormalige Schuilenburg-resten: goed gebeuren òf helemaal niet

Bal ligt nu in hoek Hellendoorn gemeente

Door Lydia Tacx

 

HELLENDOORN -Oude munten, bijlen, scherven, kanonskogels, sleuteltjes, een zakhorloge en een grafplaat. Er is heel wat gevonden in de bodem van het voormalig terrein van kasteel Schuilenburg. En er zijn gegadigden genoeg om er uit te halen wat er nog ligt. „Maar het moet wel goed gebeuren. Anders raken dingen zoek en zijn we veel verder van huis”, vindt amateur-archeoloog Henk Vermaat.

 

Deze week heeft het Hellendoornse college van burgemeester en wethouders gesproken over de aankoop van het terrein van het voormalig kasteel Schuilenburg. Eind augustus buigt de monumentencommissie zich erover. Dit naar aanleiding van plannen van de particulier Harry Hendriks Boers, woonachtig in het Bouwhuis, dat ooit onderdeel was van het kasteelcomplex. Van het deel dat hij in bezit heeft, wil Boers een toeristische trekpleister maken. De gemeente zou moeten zorgen voor de ontwikkeling van het andere deel.

Gaat alles ook werkelijk door, dan zijn er verschillende mogelijkheden. Eén manier zou zijn dat de Rijksdienst voor Bodemonderzoek (ROB) de opgraving zou leiden en coördineren. De dienst voelt er echter weinig voor, omdat het te kostbaar is. De tweede mogelijkheid is dat de gemeente Hellendoorn het zelf doet door middel van een stichting en een opgravingsvergunning krijgt van de ROB.

Hellendoorn telt verschillende historische verenigingen en ook een aantal amateur-historici en archeologen. Zij zouden zitting kunnen nemen in de stichting.

Eén van die amateur-archeologen is Vermaat, die al meer dan tien jaar bezig is met Schuilenburg. Hij exposeert de komende weken meteen tentoonstelling van archeologische vondsten in het gemeentehuis van Nijverdal. Veel van de voorwerpen die daar te zien zijn heeft hij met een metaaldetector gevonden, waaronder een bijl. Vroeger werd deze onder meer gebruikt om de grachten los te hakken wanneer deze bevroren waren. Het is een redelijk zeldzame bijl met een stempel van de Schuilenburgse huissmid erin, die verwijst naar de herkomst.

Een andere gegadigde is de Stichting Johanna van Buren Onderafdeling ‘De luu veur Old Niejs prokkeln’ heeft ook al opgravingen gedaan bij Schuilenburg. En ook zij zijn met opmerkelijke vondsten gekomen. Pronkstuk is volgens amateur-historicus Bartels een middeleeuws zwaard. Dit steekwapen ligt veilig in een vitrine in het museum De Valkhof aan de Hellendoornse Ninaberlaan.

Een andere blikvanger is een munt, gevonden tussen de plaats van het kasteel en de Regge. Het is een zogenaamde rekenmunt, geslagen onder Prins Willem van Oranje toen heel Zeeland bevrijd was van de Spanjaarden. Dat was - in 1577. Vraag is natuurlijk wel hoe de munt in Schuilenburg is gekomen. Daarover blijven de historici gissen.

Bartels: „Jaren geleden zijn wij van ‘Old Niejs Sprokkeln’ al geïnteresseerd geraakt in Schuilenburg. Zou de gemeente werkelijk van start gaan met het opgraven van de resten, dan willen we daar graag aan meedoen. Ik heb al eens tegen de burgemeester gezegd dat ik hoop dat amateur-archeologen ook een kast krijgen. Het is goed dat er nu eindelijk schot in de zaak lijkt te komen, want iedere keer zo'n gierkar over de resten is niet goed”. Niet alleen de rekenmunt werpt vragen op. Het opgraven van de kasteelresten van Schuilenburg is nog niet zeker. Plannen genoeg, maar het benodigde geld is nog altijd een probleem. Hendriks Boers gaat volgend jaar in ieder geval van start met kleinschalige recreatie op zijn terrein. De bal ligt in de hoek van de gemeente Hellendoorn. Daarover zal de geschiedenis dan uiteindelijk wel verhalen.

 

Dit is het vijfde en laatste deel in de serie over het kasteel Schuilenburg en de plannen om oude tijden in Hellendoorn te doen herleven,

 

         1995-07-25 > 10e Artikel over plan voor ontwikkeling Schuilenburg: „Kasteel Schuilenburg was’n echt roversnest”

 

Expositie in hal Hellendoorns gemeentehuis met allerlei archeologische vondsten

„Kasteel Schuilenburg was’n echt roversnest”

 

Henk Vermaat met bijl bij expositie.

Henk Vermaat laat een bijl die voorzien is van een stempel van de huissmid van Schuilenburg. FOTO VINCENT WILKE

 

NIJVERDAL –„Je zal op je kop krijgen”, zegt Henk Vermaat, terwijl hij naar een oude kanonskogel in een vitrinekast in het Hellendoornse raadhuis in Nijverdal wijst. Vanaf vandaag is hier een kleine expositie ingericht met allerlei voorwerpen die Vermaat de afgelopen jaren heeft opgegraven op het terrein waar vroeger kasteel Schuilenburg heeft gestaan.

Met medewerking van grondeigenaar F. Runneboom graaft Vermaat al twee jaar naar voorwerpen, die meer kunnen vertellen over de geschiedenis van dit verdwenen kasteel. Uit de archeologische vondsten blijkt volgens Vermaat in elk geval dat de heren van Schuilenburg „beslist geen lieverdjes” zijn geweest.

„Dat kun je zien aan de talloze kanons- en geweerkogels die Vermaat daar gevonden zijn. Behalve kogels sieren ook andere gebruiksvoorwerpen uit vervlogen tijden de vitrinekast in de hal van het raadhuis. Een zakhorloge uit de achttiende eeuw met de bijbehorende sleuteltjes om het horloge op te winden, een grafplaat en bijlen voorzien van stempels

Vermaat: Vroeger zette een smid zijn stempel op de voorwerpen die hij smeedde. De bijlen die hier te bezichtigen zijn, zijn naar alle waarschijnlijkheid voorzien van een stempel van de huissmid van de huissmid van Schuilenburg. Ze zijn vlak bij de Regge gevonden. De metaaldetector geeft aan dat daar veel metaal moet liggen, daar heeft dus naar alle waarschijnlijkheid een smederij gestaan”.

Over het oude kasteel doen steeds allerlei wilde verhalen de ronde. Het roversnest spreekt nog immer tot veler verbeelding. Zo zijn er de verhalen over een graf wat er nog ligt. We hebben wel een grafplaatje gevonden, maar het graf ontbreek elk spoor. Het zijn erg vaak opgeklopte verhalen. Ook wordt steeds gesproken over onderaardse gangen van Schuilenburg naar Hellendoorn; Dat is moeilijk na te gaan maar de onderaardse gewelven van Schuilenburg zijn er nog wel. Die hebben we met een speciale detector weten te localiseren. Als in de nabije toekomst in deze onderaardse gewelven en oude grachten wordt gegraven zullen deze mysteries wellicht ook ontrafeld worden”. Aldus Vermaat.

 

         1995-08-02 > 11e Artikel over plan voor ontwikkeling Schuilenburg: Akkoord college van B&W

 

Schuilenburg

 

HELLENDOORN - B en W van Hellendoorn zien het opzetten van een recreatief steunpunt bij de Regge - op de plaats waar in vroege eeuwen kasteel Schuilenburg stond) helemaal zitten. Dit zei loco-burgemeester A.B.J. Timmerhuis gistermorgen, nadat het college zich over de voortgangsreportage met betrekking tot de plannen van Hendrik Boers had gebogen. B en W vinden het een goede zaak dat het behoud van een dit cultuur-historische 'erfgoed' kan worden gecombineerd met het ontwikkelen van een toeristische trekpleister.

De voortgangsrapportage wordt binnenkort behandeld door de monumentencommissie en de raadscommissie economische zaken. Nadat de bevindingen en opmerkingen uit deze commissies zijn verwerkt, willen B en W met Boers bindende afspraken gaan maken over het gebruik en de ontsluiting van het voormalige kasteelterrein; de reconstructie van de Twentseweg en de aanleg van parkeerfaciliteiten en een kano-aanlegsteiger.

Afhankelijk van de eindresultaten van deze onderhandelingen, zal het college bekijken of de gemeenteraad een krediet voor de aankoop van de grond moet worden gevraagd en eventueel moet worden geholpen bij het oprichten van een stichting, die dit toeristisch-recreatief steunpunt moet gaan beheren.

 

         1995-09-29 > 12e Artikel over plan voor ontwikkeling Schuilenburg: “Overblijfselen Schuilenburg blootleggen”

 

Onderzoek met wichelroede geeft plaats funderingen nauwkeurig aan

“Overblijfselen Schuilenburg blootleggen”

 

Uitgegraven muur op Schuilenburg

 

HELLENDOORN – Geraamtes worden hier al lang niet meer gevonden, wel scherven van potjes, keien, bronzen sleutels en andere zaken. Op de plaats waar ooit het trotste kasteel Schuilenburg stond, liggen nu slechts nog de met zand bedekte resten. "Die overblijfselen moeten uit de grond worden gehaald. Er zit nog zoveel in de bodem dat het zonde is om dat niet op te graven", luidt de mening van Harry Boers. Hij bewoont het bouwhuis dat nu op de plek staat waar ooit kasteel Schuilenburg stond. Samen met de Hellendoornse gemeenteambtenaar Cees Otterlee (red.: Ortelee) maakt hij al tijden plannen om de resten van kasteel Schuilenburg op te laten graven. Boers wil de oude schuur tot restaurant laten verbouwen en hier verder een kinderboerderij en een klein museum realiseren, waar de historie van Schuilenburg uit de doeken. wordt gedaan. ,,Het wordt geen grote toeristische attractie, het moet gewoon leuk zijn om hier even rond te kijken. Bij verschillende opgravingen is al genoeg boven water gekomen (pijpen, zwaarden, beeldjes en stukken van de fundering) om het museumpje te kunnen inrichten", vertelt Otterlee. Volgens Boers en Otterlee moet er overigens snel iets gebeuren, daar de resten van het kasteel "worden bedreigd". Boers: "Een groot deel van de funderingen ligt onder een stuk bouwland. Als daar jaar in, jaar uit mais wordt verbouwd, duurt het niet lang meer voordat de funderingen door het ploegen vernietigd worden. Dat mag gewoon niet gebeuren". De duidelijke lichte vlekken in deze akker laten vermoedelijk zien waar vroeger de toren van het kasteel heeft gestaan.

 

Wichelroede

Achter het bouwhuis zijn al resten van de fundering opgegraven. "Het ligt allemaal vlak onder de oppervlakte. We hebben een echo-onderzoek laten doen om de precieze ligging van de fundamenten de achterhalen. Onlangs hebben we iemand van de Twentse Academie laten zoeken met een wichelroede. Daar wordt weliswaar wat lacherig over gedaan, maar de resten van de fundering zaten wel precies op de plekken - die de wichelaar aangaf. Hij heeft tevens de juiste locatie gevonden van het oude bouwhuis ende drie tolhuisjes of schuren, waar de knechten sliepen en spullen werden opgeslagen. Bovendien nu een computertekening laten maken, waarop duidelijk de contouren van de fundamenten te zien zijn. Er zijn aanwijzingen genoeg om met graven te kunnen beginnen", vindt Boers.

Otterlee: "Wat hier in de bodem zit is van groot cultuurhistorisch belang. Waar vroeger Schuilenburg stond, liepen belangrijke verkeersaders. Het kasteel nam dus een belangrijke plek in onze historie in. We zijn nu druk bezig om met gemeente en provincie te zoeken naar financiële middelen.

Voor 1 oktober moeten we plan inleveren en wordt bekeken of we naar aanleiding daarvan in aanmerking komen voor subsidie. Tevens worden de mogelijkheden onderzocht om er een project van te maken voor een universiteit. Dat kan voor veel studenten heel interessant zijn".

 

         1995-4 Najaar > 13e Artikel over plan voor ontwikkeling Schuilenburg

 

Voormalig kasteel Schuilenburg: toeristische attractie van formaat.

Te mooi om niets mee te doen.

door Lydia Tacx

 

Bouwhuis op Schuilenburg anno 1972

De Saksische boerderij staat sinds 1972 op de Monumentenlijst. De luiken van de boerderij zijn van oorsprong rood-wit geschilderd, de kleur van het vroegere landgoed Schuilenburg. In 1997 moet Hendriks Boers een eindverantwoording afleggen aan de Monumentenzorg en moeten ook de luiken weer in ere zijn hersteld. FOTO: VINCENT WILKE

 

HELLENDOORN/NIJVERDAL.

Hij banjert met stevige passen over zijn terrein heen en vertelt met groot enthousiasme wat het zou kunnen worden. Het staat Harrie Hendriks Boers helder voor ogen: het reconstrueren van het vroegere landgoed Schuilenburg. Met een dergelijk project krijgen we een toeristische attractie van formaat In Hellendoorn aldus Henriks Boers.

In het aangrenzende perceel zitten de vroegere contouren nog in de grond, Dat is onlangs aangetoond door het onderzoek van het Regionaal Archeologisch Archiverings Project (RAAP) uit Amsterdam.

De gemeente wil deze grond aankopen en hoopt daarnaast op subsidie van het Waardevol Cultuur Landschap. Hendriks Boers is zelf eigenaar van het boerderijcomplex, een aantal bijgebouwen van het vroegere landgoed. De daken van de gebouwen zijn bedekt met riet en pannen. De pannen gaan deels schuil onder een laag mos. De luiken van de Saksische boerderij en het Bouwhuis waren vroeger, net als de andere in de omgeving staande boerderijen, herkenbaar aan de rood-witte zandlopers.

De boerderij is al sinds 1972 een Rijksmonument en over een paar jaar zullen de kleurige luiken het pand weer sieren. Ook bevinden zich op het land van Hendriks Boers de oude grachtmuren. Deze heeft hij inmiddels voor een deel blootgelegd.

Hendriks Boers wil het vroegere Schuilenburg visualiseren door het herstellen van de oude grachten, de molenbeek, de oude Reggeloop langs het kasteel met een kano-aanlegplaats, het tracé van de vroegere Twentseweg en het grondplan van het kasteel. Ook speelt hij met de gedachte aan een kinderboerderij, als aanvulling van het recreatieproject.

In een latere fase zou de watermolen kunnen worden herbouwd. De gemeente Hellendoorn zou het kasteelterrein onder handen moeten nemen en Hendriks Boers maakt van de wagenschuur een educatief centrum annex horecagelegenheid.

Het mooiste zou zijn wanneer de gemeente in het plan zou willen investeren. Er zijn verschillende instanties waar we geld zouden kunnen krijgen voor het plan. Ik denk aan het Waardevol Cultuur Landschap, het toeristisch, recreatief ontwikkelingsplan Overijssel en het gemeentelijk toeristisch fonds, uiteindelijke uitvoering en exploitatie zouden in handen moeten komen van een aparte stichting, waarin de verschillende partijen deelnemen: de gemeente, een historisch vereniging, plaatselijke historici en ikzelf." vindt Hendriks Boers.

Hij schat dat het herinrichten van de kasteelgrond de gemeente ongeveer 250.000 gulden gaat kosten. Hierbij is de aankoop van de grond waarop Schuilenburg gestaan heeft inbegrepen. De verbouw van de wagenschuur tot expositieruimte en horecagelegenheid en de bouw de kinderboerderij wil Hendriks Boers voor eigen rekening nemen.

De inkomsten zouden kunnen komen uit entreegelden en de verkoop van artikelen die betrekking hebben op Schuilenburg, zoals pentekeningen. Overige inkomsten kunnen donaties en sponsorgelden zijn. Uitgangspunt voor het hele project is de cultuur-historische waarde van het kasteelterrein.

„De locatie van Schuilenburg heeft potentieel een hoge waarde. Het is centraal gelegen in een net van wegen, fietspaden en een vaarroute. Daarnaast is de geschiedenis van Hellendoorn onlosmakelijk verbonden met Schuilenburg. Bij een goede ontwikkeling kan het dan ook een zeer belangrijk aspect zijn in het recreatieve produkt van Hellendoorn", besluit Hendriks Boers. „Het is nu wachten op de gemeente die de grond moet aankopen en we moeten een stichting vormen. Maar hoe dan ook, er moet iets mee gebeuren. Het is te mooi om niets mee te doen."

Dit is het derde deel in een serie over kasteel Schuilenburg en de plannen om oude tijden in Hellendoorn te doen herleven.

 

         1995-5 > Toeristisch beleidsplan Hellendoorn, Ommen, Den Ham

 

PLAN KRIJGT GROTE INSTEMMING IN REGIO

Toeristische stimulans voor Midden en Beneden Regge

 

NIJVERDAL - De plannen van de gemeenten Hellendoorn, Ommen en Den Ham om het toerisme naar het gebied Midden en Beneden Regge te stimuleren ondervinden een brede weerklank in de regio. Dat bleek tijdens de presentatie van deze toeristische plannen in café Hancate te Hellendoorn. Met ruim honderd personen was de opkomst zelfs massaal te noemen.

 

De opsteller van de plannen, ir. Bergmans van onderzoeksbureau Vandertuuk benadrukte dat de speciale ligging van het gebied veel meer uitgebuit kan worden. „Bijvoorbeeld door meer voorzieningen voor dagrecreatie te maken. En dat in combinatie met goede fiets- en wandelpaden. Ook moeten er nieuwe toeristische routes komen en is meer promotie nodig. Hierdoor kunnen meer toeristen vanuit Vechtdal en de Sallandse Heuvelrug naar het Reggegebied worden gelokt,” aldus de heer Bergmans. „Bijvoorbeeld om er te genieten van de rust en ruimte die hier nog volop aanwezig is”.

 

De onderzoeker beschreef ook een aantal doelgroepen die een voorkeur heeft voor een toeristisch verblijf in meer kleinschalige accommodaties op het platteland, De bestedingen van deze toeristen kunnen volgens hem voor een regio behoorlijke economische voordelen opleveren. Bergmans wees er in dit verband op, dat de toeristische sector, na de eerste levensbehoeften, de belangrijkste uitgavenpost is in de particuliere consumptie.

De Overijsselse Vereniging van Kleine Kernen toonde zich zeer het ingenomen met het rapport van Bureau Vandertuuk. Vooral vanwege het feit dat nu een actieplan is opgesteld met concrete voorstellen.

Deze voorstellen kunnen volgens voerder Schouten van deze vereniging in belangrijke mate bijdragen tot versterking van het Overijsselse platteland. Ook bij andere groeperingen, zoals de Ommermarke en de Stichting Natuur en Milieu Overijssel, zijn de plannen in goede aarde gevallen. Alom werd aandacht gevraagd voor de verwevenheid van natuur, landbouw en recreatie in het gebied Midden en Beneden Regge. Met name de heer Dirksen van Natuur en Milieu waarschuwde ervoor dat de natuur, ‘de kip met de gouden eieren’ niet het onderspit mag delven.

Na afloop van het officiële gedeelte kregen alle genodigden de gelegenheid om het gebied ook daadwerkelijk te verkennen. Hiertoe had de gemeente Den Ham in samenwerking met enkele ondernemers en menverenigingen een viertal tochten uitgezet: een fiets-, een paardrij-, een wandel- en een vaartocht.

 

Ga door met de Advertenties of naar Het slot

Ga terug naar Home

 

terugbeginpagina