Lag het Schuilenburg van 1125 hier?
In Deel 1: "VORMING VAN HET REGGEDAL"
komen diverse gebouwen op het kasteelterrein van Schuilenburg aan de orde
zonder dat daar nader op in wordt gegaan.
Deze gebouwen hebben direct door
hun plaatsing of indirect door hun gebruikers c.q. bewoners hun invloed op het
verloop en het gebruik van de Regge gehad.
Natuurlijk zijn daar het kasteel
en de watermolen(s) de belangrijkste van, waarbij met name de laatste door de
noodzakelijke schutstallen sterk van invloed is geweest op de vorming van het
Reggedal. Van de gebouwen was natuurlijk het kasteel het belangrijkste.
Hiernaast ziet u een afbeelding
van een 3D-CAD-model met gebouwen uit de diverse tijden op de huidige
ondergrond op basis van de Algemene Hoogtekaart Nederland (AHN).
Van de oude bebouwing zijn te
zien:
-
het
kasteel,
-
het
Bouwhuis met wagenschuur en schuur,
-
de
(nieuwe) herberg,
-
de
commiezenwoning,
-
de
3 gebouwen,
-
de
oranjerie en
-
de
twee watermolens.
Gezien de vele eeuwen dat er
hier een hoofdgebouw heeft gestaan, is het moeilijk aan te geven met welke naam
het gebouw aangegeven moet worden. Er zijn verschillende benamingen in gebruik,
zoals waterburcht, slot, kasteel, havezate en huis en misschien nog wel meer.
Elke benaming is gerelateerd aan een bepaalde periode uit de geschiedenis of
ontwikkeling.
Slot en burcht kunnen volgens de
beschrijving in "Van Dale" wel samengevoegd worden. Ze leggen
namelijk beide een relatie met een "versterkte kasteel", dat als
verdedigingsmiddel bij oorlogshandelingen moest dienen. Hierbij zij vermeld dat
bij "burcht" onder het woord kasteel vermeld wordt dat dat een
feodaal kasteel is.
Een kasteel is volgens "Van
Dale" door een gracht omgeven, of ligt op een hoogte met steile hellingen.
Schuilenburg viel dus onder de eerste categorie, zoals
bijvoorbeeld ook
het Muiderslot en Slot Loevestein. Beide liggen nog steeds in het water, zoals
Schuilenburg ook gelegen was. Of Ter Molen ook in een vergelijkbare omgeving
lag is een vraag die waarschijnlijk nooit beantwoord zal worden.
Een havezate is volgens
"Van Dale" een ridderlijk goed of kasteel in de oostelijke
provincies, waaraan publiekelijke rechten verbonden waren. Deze beschrijving
doet echter te kort aan het begrip. In de tijd van de Republiek der Zeven
Verenigde Nederlanden (na 1578) had het begrip havezate een staatsrechtelijke
functie. De bezitter van een havezate kon deelnemen aan de regering van
Overijssel en soms zelfs als afgevaardigde van dit gewest aan de centrale
regering van de Republiek zelf. De bezitter moest dan wel voldoen aan bepaalde
eisen. Eén van de hoofdeisen was, naast het feit dat hij in het bezit was van
een havezate, dat de gegadigde riddermatig was. Er is in de Staten van
Overijssel nogal wat discussie geweest over wie als riddermatig kon worden
aangeduid en aan welke richtlijnen een havezate moest voldoen. Zo moest een
havezate "adelycken betimmert" zijn, wat
inhield dat de riddermatige er woonde (en hij of zijn voorvaderen er al langer
hadden gewoond). Bovendien moest hij er zijn hof voeren en tenslotte moest het
bezit een bepaalde waarde vertegenwoordigen.
Daarnaast wordt door sommigen
onder het begrip havezate (voornamelijk van bouwkundige zijde) ook wel een
bepaalde bouwwijze verstaan, die overigens door de jaren (eeuwen) heen nogal
eens veranderde en ook van streek tot streek verschilt.
Kasteel lijkt voor Schuilenburg de meest
passende benaming, zeker in de eerste eeuwen. Een havezate wordt over het
algemeen geplaatst in de 16e en 17e eeuw en wordt gekenmerkt door brede lanen
en siertuinen en de nodige pracht en praal, hetgeen bij een kasteel als vesting
niet gebruikelijk was. De titel havezate is vanwege de rechten wel van
toepassing op Schuilenburg, maar niet vanwege zijn ligging en oorlogsverleden.
De brede oprijlanen en grote, vaak symmetrische siertuinen ontbraken, hoewel er
wel iets moois van gemaakt zal zijn.
Tot in het begin van de 17e eeuw moet het
een goed verdedigbaar kasteel zijn geweest en kan er geen sprake zijn geweest
van een sierlijk huis. Een havezate had ook geen poortgebouw, zoals op de prent
van Pronk, maar een bordes. De naam "huis" komt ook voor, maar dan in
de tijd van de verkoop van Ter Molen. Deze naam past bij de in de koopakte
vermelde beschrijving van "rustig en vredig". Mogelijk dat de
versterkingen niet functioneerden of er niet (meer) waren.
Hier volgt een stuk geschiedenis, omdat dat
van wezenlijk belang is om te kunnen bevroeden wat voor huis Ter Molen was.
Alhoewel in de datavermelding in
1125 duidelijk sprake is van het kasteel Schuilenburg, blijft toch de vraag
steeds opspelen of dit
kasteel wel hiér gestaan heeft,
zoals in bepaalde stukken (1,4,5) toch in twijfel wordt getrokken.
Aan de ene kant zegt men van
niet en wordt de naam Schuilenburg aan het kasteel bij Terborg/Silvolde
gekoppeld (zie hiernaast), waarvan de naam nog op de topografische kaart
voorkomt en de kelders nog bestaan. De familienaam is reden voor zowel pastoor
Rientjes als de heer Vening Meinesz e.a. om aan te nemen dat het kasteel
bedoeld in 1125 bij Silvolde lag. Aantoonbaar is in elk geval dat de
familienaam Sculenborg daar het eerst voorkomt in 1326.
Aan de andere kant is er in 1225
sprake van de sloop van Schuilenburg en dat was zover bekend de motteburcht in
Almelo.
Ook wordt in 1257 Schuilenburg
in Salland vermeld als plaats waar graaf Otto van Gelre vrede sloot met de
bisschop van Utrecht. Noch Almelo noch Silvolde lagen in Salland, “ons”
Schuilenburg lag wél in Salland!
De naam Schuilenburg is ook niet
direct en alleen aan een familienaam te koppelen, want ook nu nog komt de naam
Schuilenburg nog voor bij boerderijen als een plek voor de bevolking om te
schuilen in tijd van nood. Er waren elders in Nederland meer kastelen met deze
naam zoals in Noord-Holland en mogelijk ook in Culemborg waar een kasteel heeft
gestaan en waarvan men aanneemt dat de plaatsnaam een verbastering is van
Schuilenburg.
De kroniek die
betrekking heeft op de oorlog gevoerd tussen Rooms Keizer Hendrik V van
Duitsland en Hertog Lotharius van Saksen in 1125 beschrijft een aantal zaken
die niet met de situatie bij Terborg lijken te kloppen. Verkort volgt hier het
relaas.
De Keizer had
Schuilenburg in handen en Lotharius kwam om het kasteel te ontzetten en legerde
zich op geringe afstand van het kasteel. Lotharius werd gesteund door de
bisschop van Munster. Een moeras dat tussen beide kampen lag verhinderde de
strijd. Lotharius brak zijn kamp op en viel Deventer aan vanaf de noordzijde.
Daardoor verliet de Keizer Schuilenburg en werd het door Lotharius heroverd (voor een uitgebreid verslag wordt verwezen
naar het geschrift van Vening Meinesz (5)).
De zaken die niet lijken te
kloppen met het kasteel in Terborg/Silvolde zijn de volgende:
Ten 1e.
Het
moeras lag ten oosten van het kasteel.
Ten 2e.
De
strategische handeling om Deventer vanuit het noorden te benaderen.
Ad 1.
Het
gebied ten oosten van Terborg was, gezien de topografische situatie, niet een
echt moerasgebied, zoals dat tussen de Sallandse Heuvelrug en Almelo lag en
zich uitstrekte van boven Doetinchem tot en met Emmen.
Ad 2.
Als
de kaart van Nederland wordt bekeken, is het absoluut niet logisch om Deventer
vanuit het noorden te benaderen als men van Terborg komt. Terborg ligt ten
zuidoosten van Doetinchem. Dit zou een behoorlijke en onlogische omweg hebben
betekend. Vanuit "ons" Schuilenburg of het Almelose zou het veel
logischer zijn. Ook lagen er dichter bij Terborg wel andere steden, zoals
Zutphen en Arnhem, die éénvoudiger voor hetzelfde doel hadden kunnen dienen.
De situatie wordt ook wel aan de
hoogte bij Almelo met het motteburcht toegedicht omdat die ook onder de naam
‘Schuilenburg’ bekend staat en die naam eerder aantoonbaar in relatie met die
plaats wordt vermeld in de 12e eeuw (1225 afgebroken). Dit zou met het vorige
relaas kloppen. Later is daar de naam Schuilenburg verdwenen. Mogelijk is
daarvoor Huize Almelo, welk huis nog steeds bestaat, gebouwd ter vervanging van
dat Schuilenburg. De geschiedenis van Huis Almelo vermeld dit niet, maar het
wordt voor het eerst genoemd in de 13e eeuw (dus in dezelfde waarin
de motteburcht wordt afgebroken). Verder wordt aan "onze" locatie
getwijfeld, omdat er bij "Schuilenburg" onder Hellendoorn aantoonbaar
eerst sprake is van de naam "Huis Ter Molen". Later wordt pas de naam
"Schuilenburg" gebruikt, gelinkt aan de familienaam.
Aan de andere kant kan gesteld
worden dat de naam "Ter Molen" pas vele jaren later vermeld werd dan
de eerste vermelding in 1125 van "Schuilenburg". Het is dus ook
mogelijk dat de kasteelnaam veranderd is, zoals dat bij Terborg ook gebeurd is
en later ook bij Schuilenburg. Reden voor de naamsverandering kan de
vernietiging van het kasteel geweest zijn en dat er alleen een huis bij een
molen overgebleven was. Dit wordt bevestigd door de beschrijving van de
verkoop, waarbij beschreven staat dat het huis "Van ons en onse voorvaderen furlange rustelick en vredelick beseten sijn". Mogelijk dat er toen sprake was van niet
meer dan een "normaal" huis, waar men de kasteelnaam niet mee wilde
associëren. Later is mogelijk het huis weer tot kasteel is uitgebouwd.
Overigens bestaan de namen ‘Ter
Molen’ en ‘Schuilenburg’ voor ons kasteel nog heel lang naast elkaar. In de
Archieven van Rechteren wordt ‘Ter Molen’ nog steeds gebruikt in combinatie met
Schuilenburg bij de verkoop in de 17e eeuw door Van Ketteler aan Van Raesfeld. Het lijkt er op dat vanaf dat
moment de naam ‘Ter Molen’ pas definitief verdwijnt door het opnemen van de
naam ‘Schuilenburg’ in de titel van de eigenaar.
Het kan het ook zo zijn dat
Almelo, Terborg en Schuilenburg een relatie met elkaar hadden, namelijk
dezelfde familie. Hadewijch van Almelo (toen eigenaar van "ons"
Schuilenburg) was immers volgens de archieven van Rechteren uit 1830 met Zweder
van der Sculenborgh getrouwd.
Is het onlogisch gedacht als
verondersteld wordt dat de families elkaar van Almelo kennen?! Dan hebben alle
drie de namen met hetzelfde geslacht te maken!
In tegenstelling tot de schrijvers
van de gebruikte geschriften (1,4,5 ) en anderen, die aannemen dat het bij
Almelo lag, is de schrijver van dit boekwerk van mening dat dit wel het geval
was en het tegendeel is niet ‘bewezen’ net zomin als schrijvers theorie
overigens. Hiervoor zijn een aantal redenen te noemen, die hier kort opgesomd
worden en verder uitgewerkt.
-
Strategische
ligging
-
Belangrijke
weg
-
Belangrijke
vaarweg
-
Moeilijk
bereikbaar
De eerste en belangrijkste reden
is de strategische ligging van het kasteel.
Kastelen werden op strategische
plaatsen gebouwd, zoals op de kruising van wegen en water, hetgeen bij
"ons" Schuilenburg het geval zou zijn als de weg er inderdaad lag,
hetgeen aangenomen mag worden, omdat die er later (nog) ligt. Er werden in die
tijd niet zomaar nieuwe wegen aangelegd.
De locatie bij Almelo was van
veel minder strategisch belang, omdat die niet aan een belangrijke vaarroute
lag. Wel lag die nabij een belangrijke weg van Wierden naar Almelo, het
verlengde van de Twentseweg.
De tweede reden is dat de
Twentseweg, ook wel genoemd de Zwolseweg, een zeer belangrijke was. Deze
Twentseweg liep onder andere over de huidige Nieuwe en Oude Twentseweg. De Oude
Twentseweg was een route, die vanaf Schuilenburg dwars door het veen liep. Op
een enkele kaart is te zien dat er sprake is van de naam "dijk naar Hooge
Hexel", die door liep naar Wierden.
Dit betekent dat deze weg
kunstmatig is aangelegd. Voor de aanleg hiervan moet de route dus anders
geweest zijn of, zoals andere stukken uit later tijd vermelden, wel aanwezig,
maar gewoon niet
begaanbaar tijdens een groot
deel van het jaar en later verhoogd. Dit laatste is het meest aannemelijk,
gezien de beschrijvingen van de wegen in die tijd en verplaatsingsbewegingen
van legers, waarbij men dagen deed over een verplaatsing van een paar
kilometer. Deze
redenering onderbouwt de aanwezigheid van de weg, die belangrijk genoeg was om
te verhogen als "dijk" en dus ook de strategische ligging van het
kasteel.
In 1227 wordt melding gemaakt
van de bouw van een kasteel bij Hardenberg, waarbij de poorten en gebinten van
Schuilenburg worden gebruikt. Het kasteel van Almelo was een motte-kasteel dat
2 jaar daarvoor gesloopt was. Gezien de afstand lijkt het niet waarschijnlijk
dat men de zware poorten zover over de slechte wegen vervoerd heeft. Het zou
zelfs mogelijk kunnen zijn dat de gebinten en poorten gedemonteerd en wel
drijvend zijn vervoerd.
Vanaf ons Schuilenburg kon dat
heel goed op boten via de Regge en de Vecht. Vanaf Almelo was dat
waarschijnlijk ook mogelijk geweest als de Aa er in die tijd al was. Almelo had
in elk geval in de 16e eeuw ook een haven die via de Aa in
verbinding stond met de Regge (11). Ligt het dan toch voor de hand dat de
poorten en gebinten van Schuilenburg in Almelo waren en niet van Schuilenburg
in Hellendoorn? Het klopt in elk geval in de tijdsgeest, maar we zullen het
nooit zeker weten.
In 1257 wordt een Schuilenburg
in Salland vermeld als plaats waar graaf Otto van Gelre vrede sloot met de
bisschop van Utrecht. Almelo heeft (zover bekend) nooit in Salland gelegen,
maar in Twente en was in 1225 gesloopt. Hellendoorn lag wel in Salland volgens
de oude Sgrotenkaart uit 1575.
Op grond van het voorstaande
lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat het in 1125 vermelde kasteel hier wel
gestaan heeft, alhoewel beseft wordt dat dit geen bewijs is.
Op grond van deze aanname moet
er in de 12e eeuw dus wel een kasteel, omringd door water, gestaan
hebben. Dat zal niet het uiterlijk gehad hebben van de prent van Pronk, maar
zal meer overeenkomen met de bekende prent van Schoenmaker, alhoewel die
natuurlijk veel later is gemaakt. Hij zou echter best wel kunnen kloppen,
verondersteld dat Schoenmaker net zoals de schrijvers van de boeken waaruit
schrijver dezes zijn gegevens heeft geput, zich verdiept heeft in de archieven.
Een aantal dingen kloppen wel,
zoals de toren, de voorburg en de brug. Ook het water in de vorm van een vlakte
in plaats van een gracht kan dan kloppen (zie VORMING
VAN HET REGGEDAL.).
Het huis op de prent van Pronk
past, in tegenstelling tot hetgeen Ponsteen in zijn boek "De havezate
Schuilenburg en de Reggevallei" beweert, wel op de ondergrond van de
tekening van de Graaf Van Bijlandt. Het huis op de prent is dan de rechthoek in
de noordwesthoek van het kasteel en het poortgebouw komt dan recht voor de brug
(zie zwarte contour op de maatvoeringstekening hiernaast).
Omtrent die plattegrond blijven
onzekerheden bestaan. De schrijvers Ponsteen en Vening Meinesz gaan voorbij aan
het feit dat op de tekening van de graaf van Bijlandt het jaartal 1381 staat
vermeld.
Een journalist die in 1941 ook
enkele stukken over Schuilenburg heeft geschreven, heeft bij zijn stuk een
(eigen gemaakt?) tekeningetje geplaatst waar datzelfde jaartal voorkomt. Op dat
tekeningetje staat het woord "Omloop" hetgeen op stromend water
duidt. Van Bijlandt tekent dit ook op de plattegrond, maar niet op de
ingemeten situatie. Het kadaster vermeldt in 1830 op die plaats "weiland
als water". Een doorgaand water had zeker een perceelsgrens gegeven en die
is hier niet verder dan de doodlopende, dichtgeslibde Reggearm. Verder staan er
in het krantenartikel details die niet op de kaart van Van
Bijlandt staan, zoals de kerker en binnenplaats. Verder is de kaart van Van Bijlandt pas in 1842 opgemaakt.
De vraag rijst of er een
tekening bestaat uit 1381, die Van Bijlandt in zijn boek over de opgraving
heeft opgenomen. Hier is naarstig naar gezocht in het bisschoppelijk archief,
maar helaas is dat deel van het archief niet geïnventariseerd en zou het weken,
zo niet maanden duren voordat dat deel van het archief blaadje voor blaadje is
doorzocht. Mocht er ooit iets uit dit archief naar boven komen, dan zal dat
zeker bekend worden gemaakt. Ook is daarnaar gevraagd bij de Stichting Gravin
van Bijlandt, maar ook daar is die niet bekend.
Bij nadere besturing van de
tekening van Graaf Van Bijlandt levert een schaalprobleem op. In eerste
instantie was schrijver uitgegaan van de landschappelijke contouren en de
buitenkant van de kasteelgracht op die tekening. Die komen namelijk overeen met
het Minuutplan van 1830. Als echter de schaalindeling in (Nederlandse) Ellen
die onderaan de tekening wordt gehanteerd voor het kasteel wordt gebruikt en de
gracht en alles daarbuiten op basis van de kadastrale situatie 1830 wordt
geplaatst, dan klopt het in meer of mindere mate allemaal met de herstelde
situatie van de kasteelplaats en gracht en de bevindingen uit het
proefsleuvenonderzoek van Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek
(ROB) uit 1998 waar een afmeting van 20x20 m wordt vermeld.
Terug naar de prent van Pronk en
de plattegrond.
Terecht merkt Ponsteen op dat er
een ander deel moet zijn geweest aan de andere kant van het poortgebouw. Ponsteen
ziet echter te graag een symmetrische havezate, waardoor het niet meer past.
Nogmaals, Schuilenburg had de rechten, maar zeer waarschijnlijk niet de
kenmerken van een havezate.
Zoals gezegd past het huis op de
prent van Pronk in de noordwest hoek van de plattegrond. De grote rechthoek aan
de zuidzijde blijft dan over, want de noordoosthoek is de binnenplaats. Als
ervan uitgegaan wordt dat een kasteel en een havezate gebruikelijk een
inpandige personeelswoning had, die vaak het "benedenhuis" werd
genoemd, omdat het in het souterrain was gesitueerd, dan zou in dit geval het
laatste restant deze dienstwoning geweest kunnen zijn. Die is uiteindelijk ook
het langst bewoond geweest. De gaten onder de woning zouden kelders geweest
kunnen zijn.
Het een en ander wordt bevestigd
door de vondsten in de uitgegraven grachten. In de noordoosthoek zijn de meeste
zandstenen elementen gevonden, die van het laatste huis moeten zijn geweest.
Zandsteen was voor de verharding van de weg van Zwolle naar Ommen, waarvoor de
restanten gesloopt zijn, geen interessant materiaal, dus dat is deels
achtergebleven bij de sloop. In het zuidelijke en oostelijke deel van de gracht
is glas in lood gevonden, wat er op duidt dat daar ook een woonruimte is
geweest. Verder is in het oostelijke deel van de gracht in de buurt van waar de
toren is gesitueerd een metalen windvaan gevonden. Het lijkt gerechtvaardigd om
aan te nemen dat die op hoek de toren heeft gestaan.
Op basis van de prent van Pronk
en de plattegrond is de links staande 1e studietekening gemaakt. Op
basis daarvan is een fraaiere versie door de heer Bennink gemaakt (rechts). Als
die vergeleken wordt met de eerste schetsen van het kasteel Rechteren in
Dalfsen, dan zijn er veel gelijkenissen te vinden. Toeval? Nee, want de Rechterens
bezaten beide kastelen en hebben Schuilenburg laten herbouwen.
De commiezenwoning.
Het eerste gebouw dat onder de loep genomen wordt, is rechts
gedeeltelijk zichtbaar op de prent van Pronk.
Er wordt in de nagezochte boeken
niets over vermeld. Op kaartjes in het boek van Ponsteen wordt het "Oud
Schuilenburg" genoemd, maar anderen geven op die locatie het oude 1e
bouwhuis een plaats. Met het eerste bouwhuis wordt in dit verband dan de eerste
boerderij bedoeld. Daar dit gebouw er nog stond toen het huidige bouwhuis
gebouwd werd, kan het dus niet ter vervanging van dit pand zijn geweest. Een
boerderij, durft schrijver met stelligheid te beweren, was het niet, omdat de
muren van het gebouw veel te hoog zijn. Als de traptreden naar het huis 20 cm
hoog waren, dan is het bordes al 2,20 m1 hoog. De goot ligt
beduidend hoger en de vloer lijkt lager dan het maaiveld van het huis. Geschat
wordt dat de goothoogte rond de 3,50 m1 moet zijn geweest.
Boerderijen hadden een goothoogte van ongeveer 1,80 m1. Verder
hadden ze in de regel ook geen rechte kopgevels, zoals op de rechts op de prent
te zien is, maar wolfseinden (schuine dakbeëindiging).
De genoemde schaapskooi van 1610
is het ook niet, want die hadden meestal helemaal geen muren. Wel kan het een
gebouw geweest zijn dat bij een havezate hoort en dat ook bouwhuis wordt
genoemd, maar dat vaak de functie van paardenstal had en koetsenberging. Vaak
met twee verdiepingen. De vraag blijft dan wat er wel gestaan heeft.
Het meest voor de hand liggend
is dat het een gebouw, dat diende voor de koetsenstalling en waarin de
voormalige woning van de commies of rentmeester Baerselman was ondergebracht.
Die heeft er in elk geval tot 1703 gewoond. Daarna mocht Baerselman het "huis"
bewonen. Na Baerselman staat Van Beest in 1748 als bewoner geregistreerd. Van
Beest wordt al in 1733 als commies vermeld naast Baerselman. Na Van Beest staat
er een bewoning in 1812 vermeld door de burgemeester W. Horn, die er dus nog
woonde toen het kasteel er niet meer stond. Ten tijde van de prent van Pronk
woonde Van Beest dus in dat huis en Baerselman nog in "het huis".
Tijdens het opmaken van de
eerste kadastrale kaarten (Minuutplans) moet dit huis er nog gestaan hebben,
omdat het als bestaand aangegeven wordt.
De locatie van het huis lag
tegenover de andere drie gebouwen (hierop komen we verderop terug). De
Twentseweg liep hier tussendoor. Dit was dus een goede locatie voor de commies,
die immers toezicht moest houden op de weg en de tolheffing.
Naast de commies woonde ook de
rentmeester op Schuilenburg. In latere tijd is bekend dat zij op het 1e bouwhuis
hebben gewoond. Voor 1700 echter niet, omdat dan "Geert" als bewoner
wordt genoemd en voor hem in 1614 Jacob, de bouwmeester van het bouwhuis.
Mogelijk dat toen de commiesfunctie en die van rentmeester verenigd waren in
één persoon, zoals dat later ook voor komt.
De eerste vraag die rijst is wat
een bouwhuis nu precies was. Een definitie hiervoor is niet gevonden. Wel
blijkt uit de boeken van Mensema en Gevers "De havezaten van Salland"
en ".. Twente" dat ze gediend hebben voor de stalling van dieren
(paarden), maar ook voor koetsen. Ze blijken ook qua vorm duidelijk af te
wijken van datgene dat bij Schuilenburg als Bouwhuis wordt betiteld. Sommigen
hadden zelfs twee verdiepingen.
De hamvragen bij dit bouwhuis
zijn: "Welk gebouw was het?” en “Waar heeft het gestaan?"
In de vormingsgeschiedenis wordt
aangenomen dat het een boerderij was, zoals de bestaande en dat die gesloopt is
vanwege het water. De plaats zou zijn gelegen ten zuiden van het huis van de
commies, zoals dat hiervoor beschreven is en dat mogelijk ook als bouwhuis werd
aangeduid. Op die plaats is door een wichelroedeloper een fundament aangegeven
ter grote van het huidige bouwhuis. Aannemende dat dit klopt, dan hebben de
rentmeester en de commies lang naast elkaar gewoond. De beschrijving van de
schaapskooi in de volgende paragraaf bevestigd de gedachte van deze plaats van
het bouwhuis en zijn aard en andersom.
Wanneer het eerste bouwhuis is
opgericht is onbekend. Wel is bekend dat het er in 1610 stond, omdat er in dat
jaar een kind ten doop wordt gehouden van de gewezen bouwmeester van het
bouwhuis van Schuilenburg en dat is geboren in de schaapskooi.
Het bouwhuis zal met zijn deel
(ook wel delle; de inpandige veestalling) naar de weg gestaan hebben, zoals het
huidige bouwhuis dat ook doet en dit veel vaker voorkomt bij oude boerderijen,
hetgeen voor het gebruik ook het meest logische is. Deze gedachte heeft ook te
maken met de vermoedelijke plaats van de schaapskooi.
Bij het 1e bouwhuis
stond een schaapskooi, zoals in de vorige paragraaf is vermeld. Net als bij het
1e bouwhuis is de vraag: "Waar?" Als uitgangspunt
moet de aanname gelden dat het 1e bouwhuis met de deel naar de weg
stond, net als in de huidige situatie.
Op het erf staat sinds enkele jaren
het nieuwe restaurant. Als op de plaats van deze nieuwbouw de schaapskooi heeft
gestaan en daarvoor met de deel naar de schaapskooi gericht het 1e
bouwhuis, dan wordt het veel logischer. De zeer oude solitair staande eik zou
het zonnescherm voor de boerderij kunnen zijn geweest. De boom lijkt oud
genoeg.
Laat dan tussen het 1e
bouwhuis en de commiezenwoning de westelijke molenbeek stromen en het plaatje
is compleet. Mogelijk dat de schaapskooi is blijven staan bij de afbraak van
het 1e bouwhuis.
Tegenover de plaats waar, zoals
hiervoor is vermeld, de commiezenwoning wordt verondersteld, stonden drie
gebouwtjes op een rij. In 1830 zijn 2 van de 3 kennelijk nog maar wat resten,
omdat ze met een streeplijntje worden aangegeven. Een bestaand gebouw was
aangegeven met een getrokken lijn en rood ingekleurd. Zoals hiernaast is te
zien op het Minuutplan van sectie H.
Uit de beschikbare gegevens, de
ligging van de oorspronkelijke Twenseweg (over het kasteelterrein) en de
mogelijke hiervoor beschreven terreininrichting ligt het het
meest voor de hand om aan te nemen dat het om de locaties van het
betalingskantoor, de vicariswoning en de kapel gaat.
Op 5 februari 1435 wordt
namelijk in de bij het slot behoren kapel de vicarii van de Heilige Maagd Maria
gevestigd. Ook wordt vermeld dat de vicaris (hulp-priester) op of bij het
kasteelterrein woonde. De kapel zal ongetwijfeld ook wel ter beschikking hebben
gestaan van passerende kooplieden, dus lijkt het aannemelijk dat die niet in
het kasteel was opgenomen. Voorgaande redenatie wordt echter tegengesproken
voor de beschrijving van de kadastrale percelen en lijken het schuren te zijn
geweest. De beschrijving van perceel H6 luidt: “huis, erf en schuren”, maar die
is van zo’n 2 eeuwen later. Overigens wordt het gebouw op H7 niet benoemd in de
‘Aanwijzende tafel’.
In het boek van Ponsteen wordt
vermeld dat in 1835 het betalingskantoor binnen het
kasteelterrein komt te liggen door de verlegging van de heirbaan (weg). Dit is
echter wat vreemd als hier een functionerend kantoor bedoeld wordt, omdat er
bij het opmaken van de kadastrale kaart in 1830 geen weg over het
kasteelterrein wordt aangegeven, maar juist wel buitenom. Kan het zijn dat hier
een foutje in het boek van Ponsteen is geslopen en dat het 1635
moet zijn? Helaas is het originele manuscript niet meer aanwezig om het te
controleren. Het jaartal 1635 zou beter kloppen met de periode dat de
kwalificatie "havezate" van toepassing was met de daarbij horende hof
en de veronderstelde aanleg ervan. Zo'n tuin was een belangrijk onderdeel van
een havezate. De familie Van Raesfeld woonde er in die tijd. Alles wijst er op
dat er toen een siertuin was.
De kadastrale kaart van 1830
geeft als omschrijving voor die plaats als apart perceel de omschrijving
"tuin". Daar past een openbare weg niet echt in. Pas later werd het
een hoogstamboomgaard. Ook zou in 1835 het kantoor geen zin meer hebben gehad,
want de functie van doorgaande weg tussen Zwolle en Almelo was vervallen door
de aanleg in 1831 van de nieuwe weg (Almeloseweg/Grotestraat) en de spoorlijn
enkele jaren eerder. We nemen daarom aan dat het 1635 moet zijn, zoals eerder
al als uitgangspunt is gehanteerd.
Welke van de drie gebouwtjes nu
precies voor welk van de benoemde functies in gebruik was blijft gissen. Het is
zelfs mogelijk dat ze van later datum zijn dan de genoemde gebouwen. Als het
wel zo is, was vermoedelijk het meest zuidelijke gebouw (gezien de plaats
tegenover de commiezenwoning) het betalingskantoor.
Op een nog onbekend moment
verschijnt het erf ‘Stokkers aan de kolk’, net naast de plaats waar de
watermolens stonden aan de noordzijde van de molenbeek. Mogelijk is het ooit
gebouwd als molenaarswoning met een winkel erbij. Deze aanname vloeit voort uit
een geboorteakte uit 1819 (12) waarin staat: “Vader Willem Gosewijn Stokkers, 38 jaar oud, winkelier van beroep,
Moeder Lambarta Podt, Kind
(vrouwelijk) Gezina Stokkers, geboren op 19 april
1819 te Schuilenburg (Hellendoorn)”.
Bij de recente
graafwerkzaamheden voor de aanleg van het huidige situatie zijn fundamenten en
een vloer opgegraven die de vader van de heer Hendriks Boers in de '60’er jaren
ook al tegen gekomen was. Wat de functie van het gebouw geweest is, is
onduidelijk, omdat het nergens met zekerheid wordt vermeld. Uit de opgraving
bleek dat de vloer was opgebouwd uit oude kloostermoppen gemengd met andere
stenen.
Een fundering is niet gevonden,
dus wordt aangenomen dat de vloer is gelegd in een gebouw met een begrenzing
bestaande uit houten spanten en dito betimmering.
In de tijd van de hof bij de
havezate kan het een prieel of oranjerie zijn geweest. Dit wordt aangenomen,
omdat in die omgeving vingerhoeden, een horloge, een ring en een munt zijn
gevonden. Het is dus aannemelijk dat de edele dames met hun handwerk daar in de
tuin zaten, in gezelschap van de heer des huizes. Ook de maten van de vloer
wijzen in de richting van een oranjerie. De vloer heeft (hij
ligt nog onder het maaiveld)
namelijk een afmeting van ongeveer 3 m1 bij 12,5 m1.
Een oranjerie was veelal een langwerpig, ondiep gebouw, zodat alle planten
voldoende daglicht konden krijgen. Ook was er een vuurplaats in het
gebouw ten behoeve van de verwarming van de planten, getuige een rechthoek met
plavuizen in het midden van de noordwand.
Na de sloop van het restant van
Schuilenburg rond 1840 resteren tot ±1890 alleen de gebouwen die ook op het
Minuutplan zijn te zien, daarna verdwijnen de drie gebouwtjes van de kaart. Wat
dan nog rest zijn het huidige Bouwhuis, de wagenschuur en ‘Stokkers aan de
kolk’.
Het bouwhuis in 1742 is gebouwd
te vervanging van een eerder bouwhuis van voor 1610 en staat daarom op het
Minuutplan. De datering van de bouw van de wagenschuur is lastiger. Hij staat
nog niet op het 1e Minuutplan, maar lijkt al wel op kaarten van 1850
te staan. In eerste instantie wordt gedacht dat de wagenschuur is gebouwd met
de gebinten van de commiezenwoning, maar de kaarten van 1850 spreken dat tegen.
Daar lijken beide gebouwen op te staan.
Ga door met Deel
3
Ga terug naar Home